Genderview

In deze rubriek brengt Historica een onderzoeker voor het voetlicht die vanuit haar of zijn discipline reflecteert op de (mogelijke) meerwaarde om te werken vanuit een genderperspectief. Op die manier willen Historica en de VVG actief het wetenschappelijke én publieke debat rond genderonderzoek stimuleren.

Het belang van verhalen over de vrouwenkiesrechtbeweging voor (de geschiedenis van) de democratie in Nederland

Mineke Bosch is hoogleraar Moderne Geschiedenis aan de Rijksuniversiteit van Groningen. Zij is de biograaf van Aletta Jacobs en heeft zich opgeworpen als de drijvende kracht achter de viering van honderd jaar vrouwenkiesrecht. Met een tentoonstelling in het Groninger Museum en de publicatie van het boek Strijd! De vrouwenkiesrechtbeweging in Nederland, 1882-1922 geeft zij de strijd voor vrouwenkiesrecht de aandacht die het verdient. Zij is een van de gastredacteuren van de speciale uitgave van Historica die feestelijk wordt gepresenteerd op de Historicidagen 2019 in Groningen.

/ Greetje Bijl /


Hoe kijk je terug op jouw loopbaan?

Die is al heel lang en niet altijd even recht toe recht aan. Maar als je lang genoeg doorgaat, kom je wel ergens en kun je soms oogsten wat je al lang geleden hebt gezaaid. En als tuinier heb ik geduld…

Ik begon als student-assistent in Groningen. Ik wilde in die tijd al egodocumenten van vrouwen gaan verzamelen. En dan niet alleen de vrouwen die al boven komen drijven, maar ook gewone vrouwen. Dat paste in het idee van vrouwengeschiedenis in die tijd. Vrouwen zijn subjecten in de geschiedenis, maar onze verhalen sluiten vrouwen uit. Daarom moeten we ‘andere verhalen’ vertellen die vrouwen insluiten. Egodocumenten van vrouwen geven ook inzicht in privОlevens. En aangezien het persoonlijke politiek is, was dat dus zeker relevant voor de geschiedenis. Met dat idee ging ik na mijn afstuderen in 1981 naar het IAV wat resulteerde in een project over het verzamelen van egodocumenten, samen met Annemarie Kloosterman. In die tijd was er nog geen ontsluiting van het archief en kon ik al die archiefdozen openmaken om te kijken wat erin zat. Daar vond ik die briefwisselingen tussen Aletta Jacobs en de Amerikaanse kiesrechtstrijdsters Anna Howard Shaw en Carrie Chapman Catt. Zo ontstond het idee om daar een boek van te maken.

In aanloop voor dat boek ben ik naar de Berkshire Conference on the History of Women gegaan. Dat was een onvergetelijke ervaring: zoveel vrouwenhistorici bij elkaar! In New York en in Washington heb ik in de archieven gezeten en al die brieven, dus die andere kant van de briefwisseling van Aletta Jacobs, boven water gehaald. Tijdens mijn zoektocht naar de brieven van Aletta Jacobs ontdekte ik ook veel brieven van Rosa Manus die een sterke band had met Carrie Chapman Catt, presidente van de Wereldbond voor Vrouwenkiesrecht van 1904 tot 1923. In 1987 hield ik een lezing op de Berkshire Conference over de brieven uit ons boek Lieve Dr. Jacobs. Het boek werd in Amerika uitgegeven onder de titel Politics and Friendship: Letters from the International Woman Suffrage Alliance, 1902-1942.

In 1988 ben ik naar Rotterdam gegaan om te promoveren. Mijn onderzoek ging over vrouwen in de wetenschap, maar ik vulde het anders in dan de hoogleraar zich had voorgesteld. Die hoopte op een sociaal-economische studie met veel cijfers, terwijl ik het vertoog over ‘vrouwenstudie’ wilde analyseren en de consequenties daarvan voor de beperkte en veelvormige integratie van vrouwen in de verschillende wetenschappen. In 1994 ben ik cum laude gepromoveerd op dit onderzoek onder de titel Het geslacht van de wetenschap: Vrouwen en hoger onderwijs in Nederland, 1878-1948.

Na mijn promotie dacht ik opeens: Zo nu ben ik gepromoveerd maar ik heb geen baan en er is niemand die voor mij zorgt. Pas laat zijn mijn ambities aangewakkerd, maar ik ben wel een doorzetter en ga achter mijn fascinaties aan. In Maastricht werd ik eerst aangetrokken voor een project over de integratie van genderstudies in het onderwijs in de faculteit Cultuurwetenschappen. Daarna werd ik gevraagd voor een functie als beleidsmedewerker emancipatie. Dit was niet mijn gedroomde baan, desalniettemin bleek het een uitstekende uitvalsbasis om samen met anderen het interdisciplinaire Centrum voor Gender en Diversiteit op te richten in Maastricht.

Het voordeel van Maastricht is dat het dichtbij het centrum van Europa zit. Daar ben ik vanuit mijn beleidswerk actief geworden. In Europa leerde ik veel over het systeem van wetenschap en hoe belangrijk het is om geld binnen te halen. Ik heb bijvoorbeeld meegewerkt aan het ETAN rapport Science Policies in the European Union: Promoting Excellence through Mainstreaming Gender Equality (1). In het rapport maakten we ons sterk voor gendermainstreaming, wat betekent dat je niet alleen naar evenredigheid in je personeelsbeleid kijkt, maar ook naar de inhoud en organisatie van je onderzoek. Die genderanalyse van wetenschappelijk onderzoek was erg veelbelovend. In die tijd moest in elke onderzoekaanvraag bij de Europese Unie (EU) worden aangetoond wat de gendercomponent in het onderzoek was, hoe de onderzoeksgroep was samengesteld en of je de nodige genderexpertise in huis had. Gender zat echt in het hart van de wetenschap! Nu is dat allemaal grotendeels weer verdwenen.

De EU is heel belangrijk geweest en is nog steeds belangrijk voor het streven naar gender equality in de wetenschap en daarbuiten, maar het probleem met ieder emancipatiebeleid is dat het geheugenloos is. Het begint steeds opnieuw en vergeet wat er al gedaan is en of wat werkte.

Hoe word je de biograaf van Aletta Jacobs?

Het was niet zo dat Aletta Jacobs mijn grote liefde was. In de tijd dat ik geschiedenis studeerde, was het feministisch socialisme vrij dominant op de universiteiten. Aletta Jacobs was in dat licht een niet erg geliefd onderwerp, want zij was zogenaamd zo’n bourgeois dame. Afgezien daarvan was zij ook te veel ‘heldin’.

Een van de eerste dingen die ik deed met Aletta Jacobs in een belangrijke rol was mijn kandidaatsscriptie over het Vrouwen(vredes)congres in 1915. In 1978 schreef ik voor Lover een recensie over de heruitgave van de Herinneringen en in 1979 werd ik door Inge de Wilde gevraagd de belangrijkste levensdata van Aletta Jacobs op een rijtje te zetten voor haar boekje bij de gelijknamige tentoonstelling Aletta Jacobs in Groningen. Ik ben afgestudeerd op vrouwelijke artsen, maar dat was zeker niet alleen Aletta Jacobs. Zij heeft zich ook niet echt als arts geprofileerd. Catharine van Tussenbroek deed dat veel sterker en daarom werd zij door vrouwelijke artsen altijd gezien als hun voorbeeld. In een artikel heb ik een vergelijking gemaakt tussen de verschillende manieren waarop Jacobs en Van Tussenbroek ‘feminisme deden’. Mijn hart lag meer bij Van Tussenbroek die een professionele carrière probeerde op te bouwen en zich tegelijkertijd sterk maakte voor economische zelfstandigheid van vrouwen. Aletta Jacobs sprak mij aanvankelijk als feministe minder aan. Ik ben zelf niet echt op ‘de politiek’ gericht, maar meer geïnteresseerd in verandering van cultuur. Ik zie het vooral als mijn taak om steeds andere verhalen voor het voetlicht te krijgen, om die geschiedeniscanon te veranderen, om de terminologie aan de kaak te stellen, zoals het hardnekkige beeld dat in 1917 ‘Algemeen Kiesrecht’ is ingevoerd.

Waarom heb ik dan een biografie van Aletta Jacobs willen schrijven? Ik was gevraagd om voor het Prins Bernardfonds een notitie te schrijven voor hun project over biografieСn, waarom het van belang zou zijn om daar ook vrouwen in op te nemen. Samen met de notitie heb ik een hele lijst met vrouwennamen aangeleverd. Daarna kwamen ze bij mij terug met de vraag wie ik dan zelf zou willen doen. En toen dacht ik met volle overtuiging: Dat moet Aletta Jacobs zijn!

Ik vind namelijk dat zo’n icoon als Aletta Jacobs die zo belangrijk wordt gevonden een goed en kritisch onderzoek verdient. Aletta Jacobs is het boegbeeld geworden van de vrouwenbeweging. Dat was toen al zo, en is nog versterkt nadat zij in 2006 in de geschiedeniscanon van het ministerie kwam. Die canon was nog niet aan de orde toen ik in 2000 begon met het schrijven van de biografie. Ik vind het van belang dat een biografie niet alleen die – deels zelf gecreëerde – heldinnenstatus bevestigt. Al in 1992 schreef ik over de herinneringen van Aletta Jacobs als een torenhoog monument dat een schaduw wierp over alles wat er om haar heen gebeurt. Ik vond het van belang dat er een monument kwam dat niet alleen haar eigen verhaal bevestigt, maar dat ook ter discussie stelt Оn de omstanders belicht.

Heb je van Aletta Jacobs een heldin gemaakt?

Ik hoop het niet! Aletta Jacobs is zonder meer een bijzondere vrouw geweest, maar ik heb voldoende oog voor zelfpromotie en performance, en heb haar in dat opzicht kritisch benaderd. Ik ben geen psycholoog en psychologiseer haar niet. Ik laat veel verschillende kanten van haar zien en raadpleeg zoveel mogelijk bronnen over haar. Ik weet dat er collega’s van mij zijn die proberen om Aletta Jacobs weer naar beneden te halen. Dat vind ik niet nodig en ook onverstandig in het licht van wat ik maar noem het ‘standaardverhaal’. Maar we moeten er wel voor zorgen dat we zoveel verhalen hebben dat zij niet een eenzame uitzondering is en dat al die andere vrouwen om haar heen ook goed zichtbaar worden.

Wat is de meerwaarde van de biografie?

De biografie is een genre waarin je heel goed kan laten zien hoe gender werkt op een individueel niveau. Het is niet dat ik biografisch onderzoek belangrijker vind dan andersoortig onderzoek. Ik vind het even waardevol om te laten zien hoe gender werkt in de wetenschap als een sociaal proces.

In het Biografisch Woordenboek van Nederland kwamen slechts weinig vrouwen voor. Als eerste vrouw kwam ik in de redactieraad. Daar heb ik enorm gepromoot dat er meer vrouwen in zouden komen. Wat maar mondjesmaat is gebeurd. En niet alleen meer vrouwen, de verhalen over zowel mannen als vrouwen moeten anders worden verteld. Els Kloek heeft daar nu een geweldige inhaalslag gemaakt, maar het staat nog wel naast het ‘gewone biografische woordenboek’.

Vrouwengeschiedenis is niet alleen het zichtbaar maken van vrouwen. Het gaat om het veranderen van het standaardverhaal. Dat is het belang van elk gender-historisch onderzoek.

Hoe ervaar jij de spanning tussen wetenschap en feministische betrokkenheid?

De spanning tussen wetenschap en betrokkenheid is erg lastig en ook niet op te lossen. In het Centrum voor Gender en Diversiteit hebben wij vervelende dingen meegemaakt. Het is niet leuk als het werk dat je met volle overtuiging doet, niet serieus genomen wordt. Velen beschouwen feminisme en wetenschap als twee elkaar uitsluitende grootheden. Ik ben de laatste tijd bezig geweest met een internationaal project over de ‘scientific persona’ en gender, samen met Kaat Wils en Kirsti Niskanen, hoogleraar geschiedenis in Leuven en Stockholm. We laten daarin zien dat een belangrijke factor in de acceptatie van kennis, de persoon van de wetenschapper zelf is. Een wetenschapper moet onafhankelijk en betrouwbaar overkomen. Maar hoe doe je dat? Er bestaan allerlei beelden en patronen van ‘de echte wetenschapper’: die werkt dag en nacht, kan zonder slaap en zonder eten. Zo iemand is een en al geest en geen lichaam, zijn inzet is per definitie belangeloos, geld speelt geen rol. Het beeld van feminisme staat daar lijnrecht tegenover: dat is aards, politiek, en dus per definitie partijdig. Vrouwen zijn voor alles lichaam wat botst met visies op de wetenschappelijke persona. Natuurlijk gaat het ook over witheid en klasse. Dit soort zaken spelen vrouwen en feministen parten als zij in de wetenschap werkzaam zijn.

Moeten we objectiviteit niet ter discussie stellen?

Als feministen zijn wij al gewend om dat te doen, maar het botst met andere visies op wetenschap. Veel collega’s zijn nog heel positivistisch ingesteld. Ik ben door historicus Frank Ankersmit opgeleid in de ‘constructieve’, talige en verhalende kant van historische kennis. Maar na het lezen van Joan Scott en andere feministische wetenschappers heb ik een postmodernistische slag gemaakt die Ankersmit niet heeft willen maken. In mijn proefschrift heb ik mij zelfs (retorisch) afgevraagd of ik het woord ‘vrouw’ wel kon gebruiken, omdat het woord al zo veel betekenissen in zich draagt. Natuurlijk kon ik niet om dat woord heen, maar genderhistorici zijn zich er erg van bewust dat onze taal en daarmee ons methodologisch instrumentarium een geschiedenis heeft die ook politiek is. Geschiedenis is geen vooruitstrevende opleiding. Samen met Magriet Fokken en Rozemarijn van de Wal, heb ik onlangs laten zien dat gender nog steeds geen vanzelfsprekend ingrediënt is in de geschiedeniscurricula op de Nederlandse universiteiten. Sommige van mijn collega’s vinden bijvoorbeeld dat je geen ‘ik’ mag schrijven in een wetenschappelijk werk. Ik laat studenten dan altijd een prachtig artikel lezen over welke formules wetenschappers gebruiken om hun eigen standpuntgebonden visie te maskeren en te neutraliseren en er een ‘view from nowhere’ van te maken (2).

Kun je een vergelijking maken hoe er nu tegen het feminisme wordt aangekeken en in de negentiende eeuw?

Ik vind dat een onmogelijke vergelijking. Er valt zoveel te zeggen over hoe gender werkt, maar er zijn wel een aantal patronen. Heel belangrijk is dat het vrouwelijke nog steeds ondergewaardeerd is ten opzichte van het mannelijke en vrouwen daardoor niet worden gezien in hun kracht. Veel van wat vrouwen doen, wordt trouwens überhaupt niet gezien of genegeerd. Het gaat niet zomaar om bespotten, of negatieve beeldvorming, het zijn ingesleten patronen waar mensen zich weinig bewust van zijn. Gender werkt op subtiele manieren op vrijwel elk vlak, en altijd ook nog in relatie tot andere categorieën van verschil. Ik blijf me inzetten om mensen daar bewust van te maken.

Wat vind je van feministische bewegingen van nu?

#MeToo is heel belangrijk. Ook daar gaat het om beeldvorming en macht. We hebben al veel bereikt, maar we zijn er nog echt niet. Kijk maar naar discussies over gelijke betaling, over gelijke kansen bij een promotie. Moeten we blij zijn met twintig procent vrouwelijke hoogleraren!? Ook in de organisatie van het privéleven en de verdeling en waardering van arbeid en zorg. Er valt nog heel veel te doen. Gelukkig zie ik allerlei vrouwenclubs met veel jonge vrouwen, zoals de ‘Feminist Group’ die gender fundamenteel ter discussie stelt. Die groepen zijn gemêleerder dan de groepen waar ik in participeer. Als ik meer tijd zou hebben, zou ik daar naartoe willen gaan. En als daar behoefte aan is, mijn kennis overdragen.

Genderpatronen spelen voortdurend een rol. Geschiedschrijving is een belangrijk middel om die beeldvorming te veranderen. Het vertellen van andere verhalen en verhalen anders vertellen. De #MeToo verhalen zijn belangrijk, maar ook de viering van honderd jaar vrouwenkiesrecht.

Hoe ben jij de drijvende kracht achter honderd jaar vrouwenkiesrecht geworden?

Vanuit passie en verantwoordelijkheidsgevoel. En ik was echt geprikkeld door die zelfbenoemde stuurgroep die ‘Algemeen Kiesrecht’ aanvankelijk gewoon in 2017 wilde herdenken. Al in 2011 ben ik met Dineke Stam plannen gaan maken voor de viering van honderd jaar vrouwenkiesrecht met een tentoonstelling, een congres, en themanummers van Historica en het Jaarboek voor Vrouwengeschiedenis. We hebben vervolgens de voorzitter van de Vereniging voor Gendergeschiedenis (VVG) Margit van der Steen erbij betrokken. Het lukte ons niet onze ideeën in te brengen bij die later door Binnenlandse Zaken overgenomen stuurgroep. Voor onze plannen moesten we zelf subsidie zien te vinden, terwijl deze stuurgroep beschikte over subsidie van het rijk. Daarom schreef ik in de zomer van 2017 een column in Geschiedenis Magazine, ‘Vrouwen zijn geen voetnoot in de geschiedenis’. (3) Toen de Groningse voorzitter van de stuurgroep Douwe Jan Elzinga opstapte, kon ik hem opvolgen. Vervolgens ben ik twee keer bij een bijeenkomst van de stuurgroep geweest tot Tweede Kamervoorzitter Khadija Arib een streep haalde door de viering van honderd jaar Algemeen Kiesrecht in 2017. Ik heb daarna nog een tijdje mijn energie gestoken in een poging om de nationale viering in 2019 naar Groningen te halen. Arib bleek echter helemaal niet van plan om een nationale herdenking over honderd jaar vrouwenkiesrecht in Groningen te organiseren en wees ook een rol als boegbeeld van de tentoonstelling over vrouwenkiesrecht af.

Intussen had ik in april 2018 mijn nood geklaagd in de algemene ledenvergadering van de VVG. Daar kreeg ik veel steun en bijval en werd een ‘Comité 100 jaar vrouwenkiesrecht’ opgericht. Dat landelijk comité gaf een enorme impuls en er zijn veel initiatieven voor tentoonstellingen en andere activiteiten uit voortgekomen. Het blijft echter opmerkelijk dat zelfs voor de landelijke manifestatie van honderd jaar vrouwenkiesrecht in het Groninger Museum op 9 mei 2019 zoveel vooraanstaande politici hebben bedankt voor de eer om eregast te willen zijn. Gelukkig heeft oud-Tweede Kamervoorzitter Jeltje van Nieuwenhoven die rol met verve vervuld.

Strijd!

Uiteindelijk heb ik besloten om mij geheel te richten op de organisatie van de tentoonstelling en de publicatie van een boek in het voorjaar van 2019. (4) De hoofdtitel Strijd! dekte voor mij de lading van de hedendaagse herdenking van de vrouwenkiesrechtbeweging en van die geschiedenis zelf. Ook de aanloop tot de tentoonstelling is niet zonder problemen geweest. Maar met Egge Knol, conservator geschiedenis en archeologie in het Groninger Museum vormde ik van meet af aan een goed span. Ik met mijn kennis van de geschiedenis en hij met zijn enorme ervaring met het maken van tentoonstellingen en deskundigheid op het gebied van voorwerpen en visuele bronnen. Voor mij is uiteindelijk wel een droom in vervulling gegaan door zoveel objecten bij elkaar te kunnen brengen: het schilderij ‘de Suffragettes’ van Marinus van Raalte, het portret van Mia Boissevain, de albumbladen voor de zeventigste verjaardag van Carrie Chapman Catt. Nieuwe vondsten waren de dozen met handtekeningenlijsten van het Volkspetitionnement, de kieswet zelf, de onbekende schilderijen van kiesrechtvoorvechtsters en niet te vergeten de vaandels. Bijvoorbeeld dat van de International Woman Suffrage Alliance (IWSA). In een herinneringsdocument dat werd gemaakt ter gelegenheid van het honderdjarig bestaan van de IWSA in 2004 had ik gelezen dat het vaandel in de jaren negentig was gerestaureerd, en dus nog bestond. Blijkt dat een topstuk uit een beroemd textielatelier in Stockholm te zijn. Voor de tentoonstelling is echter het zelfgemaakte vaandel van de afdeling Ten Boer evengoed belangrijk. Dit laat goed zien dat in vele kleine dorpen in Nederland toegewijde kiesrechtaanhangsters waren te vinden. Dit is een van onze belangrijkste uitgangspunten geweest, het nationale verhaal te verbinden met de lokale en de internationale geschiedenis van de vrouwenkiesrechtbeweging.

Waar gaat het boek over dat je voor die tentoonstelling hebt geschreven?

Het is een overzicht van de vrouwenkiesrechtbeweging met een focus op de Vereniging voor Vrouwenkiesrecht, in woord en beeld. Het is mij al lang een doorn in het oog dat van zoveel beeldmateriaal gewoon niet bekend is waar en wanneer het is gemaakt, door wie en met welk doel. Hetzelfde geldt voor allerlei propagandamateriaal. Wanneer werd dat speldje gemaakt en wat betekent die prentbriefkaart precies? Ik ben ooit op dit spoor gezet door Lisa Tickner met haar prachtige boek The Spectacle of Women. Het was van meet af aan mijn opzet om ook het visuele verhaal systematisch te vertellen, zodat mensen niet meer om deze geschiedenis heen kunnen. Ik doe dat door naast teksthoofdstukken beeldessays te zetten. Het is daardoor wel weer een dik boek geworden, maar blijkbaar was het voor mij een noodzakelijk boek.

Wat hoop je met de tentoonstelling en het boek te bereiken?

Ik hoop dat het eindelijk doordringt hoe belangrijk de vrouwenkiesrechtbeweging is geweest voor het verhaal over de democratie in Nederland. Dat het echt een massale beweging is geweest van hele bijzondere maar ook hele gewone vrouwen die met elkaar de uitsluiting van vrouwen uit de politiek hebben bevochten.

In het geschiedenisonderwijs moet hier meer aandacht voor komen. Het is nog treurig gesteld met de geschiedenisschoolboeken waar het gaat om vrouwen en gender. Annemiek Houwen doet promotieonderzoek naar schoolboeken. Zij heeft gekeken wat er in de schoolboeken staat over bijvoorbeeld de geschiedenis van de democratie. Daar staat dan meestal een zinnetje over het vrouwenkiesrecht en een tweede zin als Aletta Jacobs ook wordt genoemd. Daarom moeten genderhistorici veel meer naar buiten treden en niet alleen binnen hun eigen feministische debat blijven. Wij moeten het grote publiek overtuigen van de waarde van gendergeschiedenis, maar ook onze eigen collega-historici. Historici zijn de poortwachters voor historische kennis en verhalen voor het onderwijs en de samenleving. Ik wil dat onze verhalen gaan behoren tot de verhalen die er toe doen. En je ziet dat het grote publiek vaak veel meer kennis en verhalen wil dan in de wetenschap getolereerd wordt. Vaak als ik iets organiseer komen er veel vrouwen op af, maar mijn collegae zie ik daar niet.

De tentoonstelling, het boek Strijd! en deze speciale Historica gaan over de geschiedenis van de vrouwenkiesrechtbeweging, dus niet over de eerste vrouw in de Tweede Kamer, Suze Groeneweg, of ‘vrouwen in de politiek’. Want bij honderd jaar vrouwenkiesrecht moeten we in mijn ogen vooral die geschiedenis herdenken, van vrouwen die jarenlang met elkaar op lokaal, nationaal en internationaal niveau hebben geknokt om erkend te worden als politiek subject en het stembiljet te kunnen gebruiken om mee te denken over de samenleving waarin zij willen leven. 

Noten:

1      T. Rees (rapporteur) a.o., Science Policies in the European Union: promoting excellence through mainstreaming gender equality, European Technology Assessment Network. Working Group on Women and Science. Brussel: Europese Commissie, 2000. (ETAN-report)

2      S. Fleischmann, ‘Gender, the Personal, and the Voice of Scholarship: A Viewpoint’, Signs: Journal of Women in Culture and Society, 23:4 (1998) 975-1016.

3      M. Bosch, ‘Vrouwen zijn geen voetnoot bij de geschiedenis’, Geschiedenis Magazine, 57:6, september 2017. http://hdl.handle.net/11370/c723707c-d20d-4fba-90dd-97fcf80ca510. Verg. M. Bosch, ‘Vrouwen hadden in 1917 nog niets te vieren’, Trouw, 4 november 2017. https://www.trouw.nl/opinie/vrouwen-hadden-in-1917-nog-niets-te-vieren~a9cf5e97/

4      M. Bosch, Strijd! De vrouwenkiesrechtbeweging in Nederland, 1882-1922 (Hilversum 2019). De tentoonstelling is ‘stil’ opengegaan op 20 april, officieel geopend op 9 mei 2019 en loopt tot en met 15 september 2019.

Greetje Bijl is hoofdredacteur van Historica.

Kennis delen over de vrouwenbeweging

De persoonlijke geschiedenis van Evelien Rijsbosch is nauw verbonden met die van de Vereniging voor Gendergeschiedenis, Historica en Atria, het kennisinstituut voor emancipatie en vrouwengeschiedenis. Evelien zag de organisatie veranderen van IAV in IIAV, van Aletta in het huidige Atria en bekleedde parallel hieraan verschillende functies, van bibliotheekassistent tot beeldarchivaris. In dit interview gaat zij in op de maatschappelijke en technologische veranderingen die van invloed waren op haar werkzame leven en verbindt ze die met de ontwikkeling in de vrouwenbeweging.

Greetje Bijl en Irene Geerts  gingen met haar in gesprek.

“The world stage gets played out in the individual family”

Dawn M. Skorczewski is a professor of English at Brandeis University (Boston) and is currently a CLUE+ fellow at the Vrije Universiteit Amsterdam. Working from an interdisciplinary background, she applies approaches from psychoanalysis to literature and history. Gender is at the center of her research on transgenerational trauma and the Holocaust.

/ Lonneke Geerlings & Greetje Bijl /

 

‘Emoties en het lichaam zijn volledig cultuur afhankelijk’

Tine Van Osselaer is onderzoeksprofessor in de geschiedenis van spiritualiteit, devotie en mystiek aan het Ruusbroecgenootschap (Universiteit Antwerpen). Ze studeerde filologie en geschiedenis aan de Universiteit Gent en doctoreerde aan de Katholieke Universiteit Leuven binnen de religie- en gendergeschiedenis. Ze vervolgde haar traject met een onderzoek naar devotie, gender en emotie en diende een aanvraag in voor een ERC-project. Haar liefde voor haar onderzoek is sprekend. “Toen ik begon aan de projectaanvraag, besefte ik hoe minimaal de slaagkansen waren. Ik dacht: ‘Ik schrijf een project uit dat ik zou willen uitvoeren als ik eens mocht dromen.’” En dat lukte: haar project ‘Between saints and celebrities. The devotion and promotion of stigmatics in Europe, 1800-1950’ werd gehonoreerd met een ERC Starting Grant. Ze stelde een internationaal team samen en kreeg een aanstelling bij het Ruusbroecgenootschap. “Ik ben zo blij dat ik mijn passie ben gevolgd. Ik raad iedereen aan te durven dromen!”

Interview door Laura Nys

Genderview Maria Grever: "#MeToo-beweging: een historisch keerpunt"

Maria Grever is hoogleraar theorie en methoden van de geschiedenis, hoofd van de afdeling geschiedenis en directeur van het Centrum voor Historische Cultuur aan de Erasmus Universiteit Rotterdam. Zij promoveerde in 1994 cum laude op een intellectuele biografie over de historica Johanna Naber. Van 1996 tot 2001 was zij voorzitter van de Vereniging voor Vrouwengeschiedenis (VVG). Sinds 2010 is zij lid van de KNAW, de Koninklijke Nederlandse Academie van Wetenschappen. Ze ontving enkele prijzen voor haar werk, waaronder in 2015 de Athenaprijs van de Erasmus Universiteit. Grever publiceerde zestien boeken en tal van artikelen in (inter)nationale tijdschriften.

Greetje Bijl interviewde haar voor Genderview.