|
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
Dossiers over vrouwengeschiedenis Gladiatrices
| ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| Marmeren grafreliëf afkomstig uit Halicarnassus (Klein Azië) uit de eerste of tweede eeuw n.Chr. met daarop afgebeeld twee vrouwelijke gladiatoren, ‘Amazona en Achillia’, die hun vrijheid (apeluthèsan) hebben gekregen. (bron: Wiedemann, Emperors and Gladiators, 1992, fig.16) |
Inhoudsopgave
1. Inleiding
2. Gladiatoren: motieven en sociale achtergrond
2.1 Gevangenen, slaven en veroordeelden
2.2 Vrijwilligers buiten de elite
2.3 Vrijwilligers uit de elite
3. Vrouwelijke gladiatoren: de bronnen
3.1 Inleiding
3.2 De bronnen
4. Motieven en sociale achtergrond van
vrouwelijke gladiatoren
4.1 Inleiding
4.2 Discussie
5. Conclusies
Het eerste gladiatorengevecht in Rome vond plaats in 264 v.Chr. gehouden.[1]
Sindsdien waren deze munera (gladiatorengevechten) niet meer
weg te denken uit de Romeinse cultuur. In de Republiek bemoeide de staat
zich nog niet met de organisatie van gladiatorengevechten. Deze taak kwam
toen nog toe aan Romeinse aristocraten. De gevechten waren ook nog kleinschalig
van aard.
De ontwikkeling van de munera tot ware spektakels vond echter
pas in de keizertijd plaats. Zo hield keizer Trajanus een show die drieëntwintig
dagen duurde en waarbij 11.000 beesten gedood werden en nog eens 10.000
mannen op leven en dood vochten.[2] Deze spektakels
stonden centraal bij allerlei staatsaangelegenheden en publieke feesten.
De keizers propageerden deze shows om hun verbondenheid met de bevolking
overal in het rijk tot uitdrukking te brengen, en ook om hun vrijwel onbeperkte
zeggenschap over mensen en dieren te benadrukken.[3]
Om de amusementswaarde van de gevechten te verhogen zorgde Augustus ervoor
dat de gladiatoren voortaan getraind werden tot professionele strijders.
Dit gebeurde in de vier gladiatorenscholen (ludi) die Rome rijk
was, en die gezamenlijk maar liefst tweeduizend rekruten konden herbergen.[4]
In de eerste twee eeuwen van de keizertijd waren gladiatorenshows een
vast onderdeel van de Romeinse samenleving geworden. Dit gold voor zowel
Rome als alle andere grote en middelgrote steden van het Romeinse Rijk.
Londen was ooit ook één van die vele buitenposten van het
Romeins Rijk, waar het gadeslaan van gladiatorenspelen een populair verschijnsel
was. In 2001 verscheen een opmerkelijk artikel van de hand van Heather
Pringle in het tijdschrift Discover, waarin verslag gedaan werd
van een opmerkelijke archeologische vondst uit 1996, waaruit volgens sommigen
te concluderen valt dat ook vrouwen de arena van Londen hebben betreden.[5]
Er is momenteel veel discussie over deze vondst, maar wat de waarde van
deze vondst ook moge zijn, het heeft in ieder geval een debat losgemaakt
over de participatie van vrouwen in de arena en de daarmee verbonden status
van vrouwen in de Romeins samenleving. [6]
In deze scriptie zal ingegaan worden op de vraag uit welke gelederen van
de samenleving deze vrouwen kwamen, en op de vraag wat deze vrouwen dreef
zich in zo’n avontuur te storten. Aangezien alle bronnen die we
hebben over vrouwelijke gladiatoren uit de eerste twee eeuwen van de keizertijd
afkomstig zijn, en vrijwel allemaal over de spelen van Rome handelen,
zal het onderzoek zich richten op deze periode en dan nog met nadruk op
Rome. Omdat we wat vrouwelijke gladiatoren betreft schaars geïnformeerd
zijn, moeten we eerst een beeld zien te verkrijgen van de afkomst en de
motieven van mannelijke gladiatoren, waarover we veel meer informatie
bezitten. Dit is onderwerp van het volgende hoofdstuk. In het derde hoofdstuk
zullen de bronnen over vrouwelijke gladiatoren besproken worden. In het
vierde hoofdstuk zullen dan uiteindelijk de bronnen uit hoofdstuk drie
samen met wat in het tweede hoofdstuk gezegd is, tot een geheel gesmeed
worden, en zal worden ingegaan op bovenstaande vraagstelling. Het geheel
wordt afgesloten met een conclusie.
1) Kyle (1998) 46.
2) Ibidem, 35.
3) Meijer (2003) 25.
4) Auguet (1972) 32.
5) Zie Pringle (2001).
6) Ibidem, 51.
2.1 Gevangenen, slaven en veroordeelden
Gladiatoren waren uit alle delen van het Romeinse rijk afkomstig. Aanvankelijk
ging het om gevangen genomen soldaten in de vele oorlogen die Rome tijdens
de Republiek voerde (captivi). Deze gevangenen werden verkocht
als slaaf, geëxecuteerd of gedwongen elkaar te doden tijdens gladiatorengevechten,
die tijdens begrafenissen van belangrijke personen gehouden werden.[7]
Vanaf de eerste eeuw v.Chr. kwamen ook slaven die van een ernstig misdrijf
beschuldigd waren in de arena terecht (noxii). Een gedeelte werd
tot de gladiatorenschool veroordeeld (de damnatio ad ludum gladiatorium
of venatorium).[8] Zij hadden een grotere kans
het te overleven dan de tot executie veroordeelden.[9]
Deze verschillen in soorten straffen en tussen getrainde en ongetrainde
vechters wordt weerspiegeld in de vaste dagindeling van de spelen omstreeks
de keizertijd. De dag begon met venationes, waarin venatores
en bestiarii optraden.[10] De middagspelen
werden gevuld met executies van misdadigers of veroordeelden. De ‘echte’
gladiatorengevechten tenslotte vonden in de namiddag plaats en kwamen
dus als laatste aan bod.[11]
Deze groep gladiatoren werd dus onvrijwillig de arena ingestuurd, en bestond
uit mannen van lage komaf. Op den duur kwam daar echter nog een derde
groep van gladiatoren bij: vrijwilligers (auctorati). Dit waren
vrijgeboren mannen, die spontaan hadden gekozen voor een carrière
als gladiator, waartoe ook mannen uit de elite behoorden. Dit is onderwerp
van volgende paragraaf.
2.2 Vrijwilligers buiten de elite
Ofschoon tijdens de Republiek al sprake was van vrijwilligers nam het
aantal vrijwilligers vanaf eerste eeuw van de keizertijd sterk toe, hoewel
de exacte aantallen moeilijk te achterhalen zijn. In principe zijn de
motieven van deze gladiatoren zeer uiteenlopend van aard, waarbij sterk
rekening gehouden moet worden met de sociale laag waaruit zij afkomstig
waren. De meeste vrijwilligers waren van lage komaf en sloten voor de
duur van meestal vijf jaar een contract met een gladiatorenbaas (munerarius),
waarin de condities werden vastgelegd waaronder zij moesten vechten, evenals
de beloning die hieraan verbonden was.[12] Een gladiator
hoefde meestal maar twee tot drie keer per jaar te vechten, en het gaf
hun dan ook een redelijke kans het te overleven.[13]
In het algemeen zullen deze ‘contractgladiatoren’ zich hebben
laten leiden door de spanning, de sensatie, het avontuur, maar ook de
verdiensten en roem (zie onder) die eraan verbonden waren.[14]
Dit moet hun dan veel genoegdoening hebben gegeven, want een ‘contractgladiator’
gaf voor de genoemde periode zijn status van vrij man op, en in het geval
van een Romeins burger ook zijn Romeins burgerschap, en werden als slaven
behandeld. Een succesvol gladiator hield evenwel aan elke overwinning
een percentage van het prijzengeld over en kon zodoende in zijn eigen
levensonderhoud voorzien.[15] In een maatschappij
waarin armoede alom tegenwoordig was, zullen de verdiensten dan ook een
belangrijk motief gevormd hebben voor veel vrijwilligers. Het was deze
gladiatoren daarnaast ook toegestaan te trouwen, kinderen te krijgen,
voorzieningen te treffen ten aanzien van hun erfenis en zelfs hun eigen
slaven te hebben.[16]
Een leven in een gladiatorenschool was hard, maar bood wel een kans op
een betere toekomst. Donald Kyle geeft dit treffend weer: ‘The living
conditions of gladiators were harsh but, as profitable investments, they
perhaps lived better than many commoners in terms of food, housing, and
medical attention. New or undisciplined men were shackled and unattended
only in the bathroom, but trained gladiators were not always bound, imprisoned,
or even confined to barracks’.[17]
Maar financiële voordelen vormden niet het enige motief dat deze
groep vrijwilligers had. De manier van leven van een gladiator werd beheerst
door een militaire discipline, waarbij van de gladiator moed en onvoorwaardelijke
trouw aan zijn meester verwacht werd. Een gladiator kon in de arena door
moedig gedrag te tonen een bepaalde (militaire) eer verwerven.[18]
Hopkins zegt hierover: I suspect what attracted them was the opportunity
to display their military prowess, their courage and their skill, plus
the desire for victory, and the shouts of the crowd. At the risk of their
death it was heir last chance to play soldiers in front of a large audience’.[19]
Oude Romeinse deugden, zoals kracht (fortitudo), tucht en training
(disciplina), de zucht naar roem (amor gloriae) en de
wil om te winnen (cupido victoriae), het waren allemaal eigenschappen
waarmee de elite zich identificeerde, en die door de gladiator gesymboliseerd
werden.[20] Het leven van een vrijwilliger kreeg hierdoor
een geheel andere betekenis: dat van iemand die eerbewijzen kon ontvangen,
die anders nooit binnen zijn mogelijkheden zouden hebben gelegen. Dit
gaf de gladiator een paradoxale status: hoewel gladiatoren enerzijds qua
achtergrond tot de laagste gelederen van de maatschappij behoorden, en
derhalve geen respect dienden te verwerven, waren zij anderzijds de dragers
van oude Romeinse deugden die juist bewondering opriepen.[21]
Het mag dan ook geen verbazing wekken dat zich onder de groep vrijwilligers
veel oud-militairen bevonden, die het geweld al nooit geschuwd hadden
en hun burgerleven wellicht te saai bevonden.[22]
In de arena konden zij hun militaire deugden moed, dapperheid en trouw
immers opnieuw bewijzen.[23] Bij hen zal zeker ook
een zeker spanningselement een rol gespeeld hebben.
Sommigen ontstegen de anonimiteit en werden op den duur door het publiek
als helden gezien. Ze verkregen een soort ‘popsterrenstatus’,
en konden rekenen op grote publieke bewondering, zoals heden ten dage
professionele voetballers ontvangen.[24] Volgens Plinius
bestonden er portretten van heldhaftige gladiatoren die de muren van publieke
ruimten sierden.[25] De gladiator was in dat geval
een herkenbaar individu geworden, een topsporter waarvoor men graag naar
de arena wilde komen.[26]
De motieven van mannen uit de onderste lagen van de samenleving zijn dus
goed te begrijpen. Ze konden er zowel sociaal (via eerbewijzen) als financieel
(prijzengeld) op vooruit gaan. Zij zullen, ondanks het risico het er niet
levend vanaf te brengen, zich sterk aangetrokken hebben gevoeld een gok
te wagen en een carrière als gladiator te kiezen.[27]
2.3 Vrijwilligers uit de elite
Analyse van de motieven van vrijwilligers uit de elite ligt iets ingewikkelder.[28]
Een gedeelte sloot zich net als de gladiatoren van lage komaf aan bij
een gladiatorenschool. Zij sloten ook een contract voor de duur van vijf
jaar en ontvingen overeenkomstig een hoeveelheid prijzengeld. Maar er
waren er ook die het er alleen om ging hun krijgshaftige moed te tonen.
Zij sloten zich niet aan bij een gladiatorenschool, en werden ook niet
betaald voor hun optreden(s).[29]
De eerste genoemde groep vrijwilligers moesten voor hun optreden de prijs
van infamia (‘sociale schande’) betalen, die zijn
bij hun standsgenoten opriepen. Ten eerste omdat zij zich lieten betalen
voor hun optreden(s). Ten tweede hadden deze gladiatoren net als hun medegladiatoren
van lage komaf een eed afgelegd, waarmee zij akkoord waren gegaan net
als alle andere gladiatoren behandeld te worden (dat wil zeggen als een
slaaf).[30] Het was voor de elite dan ook een schandalige
vertoning dat mensen uit hun eigen gelederen zichzelf declasseerden tot
dit type ‘contractgladiatoren’.[31] Romeinse
aristocraten beschouwden dit type gladiatoren immers als de allerlaagste
mensen van de maatschappij, en dit is niet zo verwonderlijk wanneer bovenstaande
geschiedenis over de achtergronden van de meeste gladiatoren in ogenschouw
genomen wordt.[32] Barton zegt hierover: ‘The
gladiator: crude, loathsome, doomed, lost (importunes, obscaenus,
damnatus, perditus) was, throughout the Roman tradition, a man utterly
debased by fortune, a slave, a man altogether without worth and dignity
(dignitas), almost without humanity’.[33]
Omdat deze gladiatoren door de elite dus als paria’s van de samenleving
werden gezien, werd toetreding tot de arena via een gladiatorenschool
veelvuldig door de senaat en door diverse keizers verboden.[34]
Het bracht niet alleen schande over hen die zich er vrijwillig toe brachten,
maar ook over de elite als geheel, want de dignitas van de hele
sociale laag waartoe deze vrijwilligers oorspronkelijk behoorden werd
erdoor aangetast.[35] Er kwam dan ook veel kritiek
van de kant van Romeinse moralisten, die dit laaghartig gedrag verwierpen,
zoals bijvoorbeeld Juvenalis ons laat zien.[36] Maar
ondanks de vele kritiek bleven gedurende de gehele keizertijd mannen uit
de Romeinse elite de arena betreden.[37] Met name
de financiële voordelen zulllen hen aangetrokken hebben een gladiatorenbestaan
te beginnen. Dit zal veel jonge senatoren en ridders hebben aangetrokken
die om de één of ander reden toch al het zwarte schaap van
de familie waren geworden en, wellicht door een verkeerde wending in hun
leven of als gevolg van grote schulden, erg in de problemen geraakt waren.[38]
Heel anders ligt dit voor de tweede groep van vrijwillige gladiatoren
die ik boven genoemd heb. Zij zullen zich hebben laten drijven door het
vooruitzicht sociaal prestige in de vorm van militaire roem (zie paragraaf
2.2) van hun standsgenoten te verwerven.[39] Deze
gladiatoren waren immers niet vervallen tot de status van een slaaf en
lieten zich evenmin betalen voor hun diensten, en vormde derhalve een
door de elite geaccepteerde vorm van gladiatoren.[40]
De beloning was in de vorm van sociaal prestige, en kon ook binnen de
elite gelden als legitieme vorm van vermaak.[41] Voor
de Romeinse elite in de keizertijd was er steeds minder gelegenheid zich
met militaire roem te tooien. De vele oorlogen kwamen langzaam ten einde
en de keizer mocht als enige nog een triomftocht houden, derhalve was
de arena vrijwel de enige plaats waar de elite zich nog krijgshaftig kon
tonen aan het volk.[42] Het is derhalve begrijpelijk
dat voornamelijk (jonge) leden van de Romeinse elite zich met dit motief
in de arena begaven, om net als hun oudere collega’s een zekere
krijgshaftige eer te verwerven.[43]
Een laatste motief dat in de literatuur nog wel eens genoemd wordt is
dat mannen uit de elite (net als mannen van lage komaf) de arena betraden
uit puur tijdverdrijf, de spanning en de sensatie.[44]
Hierbij hoort ook de grote publieke belangstelling die zij konden verwerven,
en de daaruit soms voortkomende popsterrenstatus (zie paragraaf 2.2).
Deze motieven kunnen in principe voor beide bovengenoemde groepen vrijwilligers
uit de elite gelden, naast de al genoemde drijfveren.
Tot slot van dit hoofdstuk moet gewezen worden op het feit dat ook onder
de elite een klein gedeelte gedwongen werd de arena te betreden. Hoewel
iemand uit de elite nimmer veroordeeld kon worden tot de arena, waren
er sommige keizers die zowel senatoren en ridders doelbewust probeerden
te vernederen door hen te dwingen in de arena te vechten.[45]
Zo zouden sommige keizers hen gedwongen hebben gevechten met wilde beesten
te leveren of als gladiatoren op te treden.[46] Het
meest sociaal vernederend was wanneer een keizer senatoren of ridders
tot de dood veroordeelde in de arena, zoals Caligula een paar keer deed,
hoewel dit eigenlijk verboden was.[47] Dus ook onder
de elitestrijders bevond zich een schare deelnemers die hiertoe niet vrijwillig
gekozen had, maar dit was eerder uitzondering dan regel.
7) Kyle (1998) 79.
8) In het ludus gladiatorium werden
gladiatoren (tweevechters) opgeleid, en in het ludus venatorium
jagers en strijders tegen wilde dieren. Dit fenomeen bestond echter pas
vanaf de tijd van keizer Augustus, die een aantal ludi liet openen
(zie boven), waar deze slaven werden opgeleid tot professionele strijders,
die zich in hun vaardigheid van andere vechters onderscheidden.
9) Zie Ewigleben (2000) 125. Romeins burgers
kregen gewoonlijk de dood door het zwaard (ad gladium), slaven
zonder Romeins burgerschap werden veroordeeld tot de wilde dieren (ad
bestias) of tot het kruis (crucifixio). De bestiarii
konden, wanneer zij een wervelende show gaven, of wanneer zij erin slaagden
de dieren te doden, soms nog rekenen op een pardon. Maar dat was slechts
voor een enkeling weggelegd. De meesten onder hen vonden de dood.
10) Oorspronkelijk waren venatores professionele
jagers die in Afrika geworven waren, waar zij pijlen en jachthonden gebruikten.
Later werd een venator gelijkgesteld aan een bestiarius, die bewapend
was met een mes of een speer en op deze wijze dieren te lijf ging met
het risico gedood te worden. Dit betrof mensen die veroordeeld waren tot
de dierengevechten (ad bestias). Bestiarii groeiden in de keizertijd
langzaam uit tot een geheel eigen type gladiator (bestiarii-gladiators)
die door training (aan een aparte school; de ludus venatorium)
11) In de literatuur wordt dikwijls onderscheid
gemaakt tussen enerzijds venatores en bestiarii en anderzijds
tweevechters, zoals in Kyle (1998) die over ‘gladiators and beast-fighters’
(p.79) schrijft, en over ‘gladiators, bestiarii, and even Christian
noxii’ (p.82). Beiden soorten strijders van de arena werden in eigen
scholen opgeleid, en genoten een totaal verschillende status. In het algemeen
worden ze echter allemaal ‘gladiatoren’ genoemd. Ik zal dat
laatste in deze scriptie ook doen, maar zal wel het onderscheidt hanteren
tussen ‘tweevechters’ en vechters met (wilde) dieren.
12) Deze gladiatoren konden hun contract altijd breken
door zich voor de afgesproken duur vrij te kopen. In dat geval werd het
hun echter de rest van hun leven verboden een publiekelijk ambt te bekleden,
zelfs niet in één van de kleine dorpen, net als criminelen
en oplichters, zie Hopkins (1983) 24.
13) Wiedemann (1992) 105. Clavel-Lévêque
heeft berekend dat de overlevingskans van een gladiator in de eerste eeuw
n.Chr. ongeveer één op zeven was (Clavel-Lévêque
(1984) 203). Maar Barton wijst erop dat de risico’s niet gelijk
verdeeld waren over de diverse strijders van de arena (zie Barton (1993)
13, n.9). Een heel vaardig en ervaren gladiator had een enorme waarde,
want er was veel geld in gestoken gedurende zijn opleiding, en zal alleen
opgeofferd worden door een editor die heel vrijgevig gezind was.
Niet alle slachtoffers in de arena waren dus onderworpen aan dezelfde
gevaren (zie verder noot 27).
14) Meijer (2003) 52.
15) Hopkins (1983) 25. Er zijn zelfs verslagen van
een gladiator die een stuk land kreeg, en van een andere die een heel
paleis kreeg toegewezen, zie Wiedemann (1992) 122.
16) Kyle (1998) 84.
17) Idem.
18) Potter & Mattingly (1999) 307.
19) Hopkins (1983) 21.
20) Gundersson (1996) 136-137.
21) Meijer (2003) 51. Meijer merkt in ditzelfde boek
over de houding van het (elite) publiek op: ‘In toenemende mate
kregen ze oog voor hun standvastige optreden in het aangezicht van de
dood, waardoor er in hun oordeel een zekere tweeslachtigheid sloop, een
mengeling van minachting en bewondering’ (p.48-49). Zie voor een
bespreking van deze paradoxale status ook Kyle (1998) 80.
22) Meijer (2003) 52.
23) Veel auteurs leggen een relatie tussen het amfitheater
en de militaire cultuur van de Romeinse samenleving, zie bijvoorbeeld
Hopkins (1983) 1-3, 5, 29; Barton (1993) 14-16, 20-22. Ook ten aanzien
van een aantal prijzen die gladiatoren konden winnen is er een binding
met het leger te zien. Een gladiator kon een speer (soms ingelegd met
zilver en goud) of een gouden kroon ontvangen, alle symbolische objecten
die met het leger verbonden waren, want ook soldaten konden dit ontvangen
na bewezen moed, zie Potter & Mattingly (1999) 316. Toen Rome vanaf
de keizertijd steeds minder oorlogen uitvocht, trok de jeugd, maar ook
ouderen, de oude militaire waarden nog steeds aan.
24) Hopkins (1983) 21.
25) Plinius, Naturalis historia 35.52.
26) De diverse gladiatoren kregen dan ook onder invloed
van deze ontwikkeling bijnamen, waaraan men hen kon herkennen, zie Kyle
(1998) 83. Men heeft ook talloze namen van individuele gladiatoren teruggevonden,
onder andere op muren in huizen van Pompeii, en daarin wordt gesproken
van de bewondering die sommige van hen kregen van jonge meisjes. Zie o.a.
CIL 4.4342 en 4353, waarin wordt gesproken van Celades, een Thracische
vechter, die de populariteit geniet van jonge meisjes.
27) Bij de vraag naar de motieven van de vrijwillige
gladiatoren, zowel die van lage komaf als van hoge geboorte, moet een
kanttekening geplaatst worden aangaande risico’s die dit soort gevechten
voor de betrokkenen meebracht: het was zeker niet zo dat ieder gevecht
eindigde met de dood van één van beide gladiatoren. Er waren
verschillende condities waaronder de gevechten plaatsvonden, die van tevoren
werden vastgesteld. De gevechten eindigden gewoonlijk als aan deze condities
voldaan was, en dat was zeker niet altijd het vechten tot één
van beiden de dood had gevonden. De technische term voor het einde van
een gevecht was missio wat zoveel als ‘losmaken van’
betekende, in deze zin het losmaken van de scheidsrechter van het gevecht,
die de regels van het gevecht en keuze van de wapens vooraf bepaald had.
Soms bereikten geen van beiden gladiatoren een overwinning op de ander,
en zo’n gevecht eindigde dan onbeslist. Dit werd stantes missi
genoemd. Er waren ook gevechten die met de term sine missione
werden aangeduid, wat zoveel betekent als een gevecht waarbij een missio
zonder duidelijke overwinning niet toegestaan werd. Volgens Potter is
aan deze term in veel tekstboeken echter nog wel eens onterecht de betekenis
‘gevechten tot de dood’ gegeven (zie Potter en Mattingly (1999)
307). Er waren immers ook gevechten die doorgingen totdat de ene gladiator
een verwonding had toegebracht aan de ander. Volgens Potter bestonden
gevechten die erop gericht waren door te gaan tot de dood van een gladiator
zelfs helemaal niet (wat niet betekende dat er nooit iemand gedood werd),
maar dat lijkt mij ook niet waarschijnlijk. Dat zal sterk hebben afgehangen
van de voorwaarden die in het contract stonden. Zelf traden keizers ook
nog wel eens op in de arena, en deden dit dan ook met de grootst mogelijke
voorzorgen om het zelf er goed van af te brengen (zie hiervoor o.a. Suetonius,
Caligula. 32 en 54; Cassius Dio 59.5 ; 66.15; 76.7; SHA, Hadrian
14; Marcus Aurelius 8; Didius Julianus 9).
28) Zie voor vrijwilligers onder de elite o.a Cassius
Dio 43.23.5, 48.43.2, 51.22, 56.25, 57.14.3, 59.8.3, 59.10, 61.17.3, en
67.14; Seneca Brieven 87.9 e.v. en zijn Invstigations into
nature 7.31; Suetonius, Jul. 39.1, Augustus 43;
Tiberius 35; Tacitus Annales 15.32 en 2.62; Juv. Sat.2.143-48,
8.199-210, SHA, Marcus Aurelius 12.
29) Deze groep gladiatoren zal op een andere manier
hun training hebben gehad. Slater legt uit dat de collegia iuvenum jongens
uit de elite die gelegenheid bood (zie Slater (1994) 129-143). De collegia
waren in principe een soort gymnasia, waar deze jongens zich konden bekwamen
in allerlei soorten van publiek vermaak van die tijd. Naast dansen, en
het oefenen voor pantomimen, konden ze er ook oefenen als zwaardvechters,
in gevechten met wilde beesten etc. Er is dan ook een connectie te leggen
tussen een deel van de gladiatoren uit de elite en de iuvenes uit de collegia
(Vesley (1998) 89).
30) Zie voor een beschrijving van deze eed Petronius
Sat. 117.5
31) Zie bijvoorbeeld Cassius Dio 56.25., waaruit de
houding van de elite jegens dit type gladiatoren spreekt.
32) Meijer (2003) 48. Augustus stelde in 4 n.Chr.de
juridische status van gladiatoren via een wet (de Lex Aelia Sentia)
gelijk aan die van vreemdelingen, zoals oorspronkelijk ook de status was
die verslagen vijanden van Rome kregen: zij kregen nimmer de status van
een Romeins of Latijns burger, zie Kyle (1998) 84.
33) Barton (1993) 12.
34) Een Romeinse senator diende in 46 v.Chr. zonder
succes een petitie in om in volle wapenrusting te mogen verschijnen in
de arena (Cassius Dio 43.23.4-5.). In 38 v.Chr. verbood de senaat senatoren
de arena te betreden, omdat dit volgens hen niet in overeenstemming was
met hun status en waardigheid (Cassius Dio 48.43.2 ff.). zie verder Dio
54.2.5 (uitbreiding van hetzelfde verbod voor (klein)kinderen van senatoren
die tot equites behoorden door Augustus in 22 v.Chr.), 56.25.7-8 (uitbreiding
van het verbod (in 11 AD) naar alle ridders, AE , 1978, 145 (een senatus
consultum van 11 n.Chr. verbood vrouwen onder 20 jaar en mannen onder
25 jaar, en een senatus consultum van 19 AD verbood senatoren
en ridders en hun mannelijke en vrouwelijke nakomelingen tot aan de derde
generatie). Ondanks dit verbod blijft het fenomeen bestaan. Caligula bracht
zesentwintig ridders ter dood o.a. omdat zij de arena hadden betreden
(Cassius Dio 59.10.2). Vitellius stelde ook een verbod in voor senatoren
en ridders (zie Tacitus, Historiae 2.62.4 en Dio 65.7.1).
35) Dit wordt o.a. verwoord in het Senatus Consultum
van 19 n.Chr. (r.5-6), dat ik in hoofdstuk 3 bespreek.
36) Zie Juvenalis satiren 8.183-199.
37) In 11 n.Chr. werd het door Augustus weer toegestaan
dat ridders de arena betraden omdat een verbod toch niet hielp (Cassius
Dio 56.25.7). Tiberius verbood het vervolgens weer, maar in 15 n.Chr.
traden opnieuw twee leden van de ridderstand op in de arena (Cassius Dio
57.14.3).
38) Meijer (2003) 53. Dit kon bijvoorbeeld gebeuren
als iemand een rechtsgeding had verloren, of als iemand zijn familievermogen
te sterk aangesproken had. Deze lieden waren hun vroegere aanzienlijke
status reeds kwijtgeraakt, en een leven in de arena was wellicht hun enige
hoop hun leven weer wat meer inhoud te geven. Omdat aristocraten niet
mochten werken voor hun geld, maar moesten leven van hun familiebezit,
waren er niet veel mogelijkheden voor hen over om meer geld bijeen te
garen. Het leven als gladiator in een ludus moet voor hen een aantrekkelijk
alternatief geweest zijn. Ze hoefden als ‘contractgladiator’
maar twee tot drie keer per jaar in de arena hun opwachting te maken,
en hadden dan de kans militaire vaardigheden te verwerven en rijkdommen
te vergaren, en misschien wel de kans eerbewijzen van het grote publiek
te verkrijgen. Na hun ‘vrijlating’ konden zij altijd nog trachten
binnen de elite weer geaccepteerd te worden, ook zal altijd een zekere
smet hebben bestaan op hun status.
39) Zie hiervoor Ulpianus Digest 3.1.1.6.,
waarin hij ‘krijgsroem’ als excuus ziet voor mannen uit de
elite om in de arena op te treden, zolang zij zich er maar niet voor lieten
betalen.
40) Deze vorm van vrijwillige deelname ging terug
op een oude Romeinse militaire traditie, waarbij jonge mensen uit de elite
op het slagveld een duel uitvochten met iemand van de vijand teneinde
de grote strijd tussen beide partijen met een tweegevecht te beslissen,
zie Slater (1996) 108. De laatste ons bekende getuigenis van zo’n
gevecht is van 45 v.Chr., zie Oakley (1985) 392-410. Dit werd later overgenomen
in de arena in de vorm van vrijwilligers onder de elite die, zonder hiervoor
prijzen te ontvangen, de arena betraden.
41) Gundersson (1996) 14. Bij deze vorm van gladiatorengevechten
deden in de tijd van Nero en Claudius ook Praetorianen en leden van de
keizerlijke bodyguard mee, die in dit geval betrokken waren bij dierengevechten,
zie hiervoor Suet. Claud. 21.3 en Dio 61.9.1.
42) Gundersson (1996) 140.
43) Ik heb in een eerdere noot al gewezen op een nuancering
aangaande de risico’s die gladiatoren liepen. Gundersson zegt over
gevechten tussen leden van de elite, die zich hierbij niet aan een ludus
verbonden:’the voluntary/no fee fighter is legally freed of infamia;
the pairings are safe and with social equals allowing for literal but
bloodless aristocratic competition between peers; and, last, the public
display itself is an aristocratic idea’,zie Gundersson (1996) 141.
Helaas bestaat hier geen zekerheid over.
44) We komen dit argument ook tegen bij Meijer (2003)
53.
45) Dit fenomeen laat zich alleen verklaren door de
functie van de spelen vanaf de keizertijd te benadrukken. De spelen moesten
de verhouding tussen senaat en keizer laten zien, in plaats van de traditionele
verhouding tussen senaat en plebs, die de Republiek gekenmerkt had (zie
Slater (1996) 81.) Hij stelt: ‘(..) gladiatorial presentations played
an especially important role. For they helped order and structure Roman
society not only in the cavea but also in the arena. And at the same time
they strikingly impressed on the spectators the penal imperatives of the
Roman state and the cultural values of an imperial power (p.112). De gladiatorengevechten
moesten de sociale orde dus weerspiegelen. De keizer trachtte deze sociale
hiërarchie meestal te bevestigen, wat onder andere blijkt uit herhaalde
pogingen van diverse keizers het ridders en senatoren te verbieden de
arena (tegen betaling) te betreden als gladiatoren (zie noot 35). Maar
de keizer kon evenzeer de maatschappelijke status van de elite verkleinen
door ze verplicht op te laten treden in de arena. Hij verstoorde hiermee
heel even de gevestigde sociale hiërarchie, en doorkruiste het strafsysteem
dat daarmee in overeenstemming was, om zijn eigen macht te tonen, en hiervoor
was de arena de ideale plaats. We moeten evenwel niet vergeten dat de
bronnen die we daarvan hebben zijn geschreven door schrijvers die in de
kringen van de elite verkeerden, dus zullen enigszins bevooroordeeld kunnen
Het kan voor deze schrijvers een mogelijkheid geweest zijn de keizers
extra slecht af te beelden. Maar deze bronnen laten in ieder geval het
maatschappelijk belang van de ideologie die er rondom de gladiatorenspelen
heerste zien. Het mag duidelijk zijn dat de arena zowel de plaats was
waar de sociale orde werd bevestigd als waar hij aangetast kon worden.
Zie ook Hopkins (1983) 14-20, die van een ‘political theatre’
spreekt.
46) Zie o.a. Dio 59.10.4; Suet Nero 12.1; Dio 61.17.3.
47) Suet., Calig. 27.3-4; Dio 59.10.4.
3.1 Inleiding
Niet alleen mannen, ook vrouwen betraden de arena, maar hierover zijn
we slechts zeer schaars geïnformeerd. Dit betekent dat bij de bespreking
van de bronnen in dit hoofdstuk rekening zal moeten worden gehouden met
wat in het vorige hoofdstuk geschreven is ten aanzien van mannelijke gladiatoren.
Omdat het informatieve gehalte van de bronnen eveneens beperkt is, heb
ik wat de sociale achtergrond van de vrouwen betreft erop gelet of zij
uit de elite (de ridder- en senatorenstand) afkomstig waren of niet. Wat
betreft de mogelijke motieven van deze vrouwen heb ik erop gelet of zij
ertoe gedwongen waren of dit uit vrije wil deden. De categorie ‘vrijwillig’
omvat feitelijk alle soorten motieven zoals ik die ten aanzien van mannen
in paragraaf 2.2 genoemd heb, en die mogelijk ook op vrouwen van toepassing
waren. Deze categorie wordt in het volgende hoofdstuk nog nader uitgewerkt,
als op de vraagstelling van deze scriptie ingegaan wordt.
3.2 De bronnen
In het werk van Athenaeus kunnen we een vroege verwijzing naar vrouwelijke
gladiatoren vinden.[48] Hij verwijst hierin naar het
werk van Nicolaus van Damascus, die leefde in de tijd van Augustus. In
dit werk komt een man voor die in zijn testament vast had laten leggen
dat na zijn dood de mooiste vrouwen uit zijn bezit elkaar in de arena
moesten bevechten. De bevolking stond de uitvoering van dit testament
echter niet toe. Aan de waarde van deze bron wordt door veel auteurs getwijfeld.[49]
Er is een inscriptie bewaard gebleven uit Ostia, waarin melding wordt
gemaakt van spelen die door de lokale duumvir Hostilianus en
zijn vrouw werden gegeven.[50] In de inscriptie wordt
met trots vermeld dat Hostilianus de eerste persoon was die vrouwelijke
zwaardvechters liet optreden sinds de stichting van de stad (Rome). Er
staat te lezen:
‘qui primus omnium ab urbe condita ludus cum…or et mulieres
(a)d ferrum
dedit…’. [51]
Er is discussie over de precieze datering van deze inscriptie. De inscriptie
is volgens Gardner waarschijnlijk uit de tijd van Septimius Severus (eind
2e eeuw n.Chr).[52] Maar de inscriptie gaat in ieder
geval over gladiatrices. Vesley geeft aan dat Hostilianus de curator
Iusus iuvenalis van Ostia was (dit was een patroon die de lokale
spelen van het collegium iuvenum moest organiseren). Hij stelt:
‘We are left to surmise that the female combatants in these games
were trained in the Ostian collegium‘.[53]
In dat geval hebben we in deze bron te maken met jonge vrouwen uit de
elite, die vrijwillig voor het gevecht gekozen hebben.
In de jaren zeventig werd een bronzen tablet gevonden in Larinum nabij
het huidige Larino, waarop een deel van een senaatsbesluit (senatus
consultum, SC) van 19 n.Chr. geschreven was. Het tablet bevat een
aantal verboden voor mensen uit elite om op te treden in het theater en
in de arena.[54] In 38 v.Chr. werd het senatoren en
hun zonen verboden in de arena en in het theater op te treden, wat vanaf
22 v.Chr. ook gold voor hun kleinzoons.[55]
Veel auteurs echter denken dat vanaf 22 v.Chr. ook vrouwen uit de elite
onder dit verbod vielen, maar ik heb daarover enige twijfel.[56]
De eerste maatregel ten aanzien van vrouwen is volgens mij pas in 11 n.Chr.
In dat jaar werd vastgelegd dat vrijgeboren vrouwen onder de twintig jaar
oud niet meer in de arena mochten optreden, of zoals het er staat ‘(..)
zich niet dienen te verpanden als gladiator (..)’, behalve voor
hen die hiertoe permissie hadden van de keizer.[57]
De eerste directe vermelding van vrouwelijke gladiatoren in de Romeinse
literatuur gaat over de tijd dat Nero keizer van Rome was. Cassius Dio
beschrijft de munera die Nero ter ere van zijn moeder Agrippina hield
in Rome in 59 n.Chr.[58] Hij vindt het zeer shockerend
dat er mannen en vrouwen uit zowel de ridder als de senatorenstand meededen.
Dio schrijft:
Cassius Dio 61.17.3-4
(..) Er was een andere opvoering die zowel schandelijke als schokkerend
was, toen mannen en vrouwen van niet alleen de ridderstand, maar zelfs
ook van de senatorenstand optraden in de orchestra, in het Circus,
en in het jachttheater[59], zoals zij die tot de laagsten
behoren doen. Sommige van hen speelden fluit en dansten in pantomimes
of traden op in tragedies of komedies of zongen bij het geluid van een
lier; ze reden op paarden, doodden wilde dieren en vochten als gladiatoren,
sommigen uit vrije wil en sommigen pijnlijk tegen hun wil. (..)
Dio lijkt voornamelijk geschokt dat er mannen en vrouwen uit de senatorenstand
aan de spelen meededen. Hij geeft echter niet aan dat hij geschokt is
dat het om vrouwen gaat. Het gaat hem blijkbaar om de afkomst van de gladiatoren
en niet om hun geslacht. Het valt evenwel moeilijk uit de tekst op te
maken wie van de deelnemers werd gedwongen en wie niet. Het gaat hier
immers om de hele groep van mannen en vrouwen die het ‘jachttheater’
betraden. We moeten er derhalve vanuit gaan dat ook een deel van de vrouwen
gedwongen is.
In 63 n.Chr. waren er wederom vechtende vrouwen te bewonderen. Dit keer
is onze bron Tacitus[60]. Volgens Tacitus waren zij
van hoge komaf.
Tacitus Annales 15.32.
(..) In het circus wees hij de Romeinse ridders plaatsen aan voor de zetels
van het volk; immers tot op dat tijdstip ging men het circus binnen zonder
standsverschil, daar de Lex Roscia geen enkele andere verordening
had gemaakt dan voor de eerste veertien rijen banken in het theater. Datzelfde
jaar zag gladiatorenspelen van gelijke pracht als de vorige; maar meer
dames van hoge geboorte en meer senatoren dan vroeger het geval was vernederden
zich door als zwaardvechter in het krijt te treden (..).
Het fragment geeft aan dat er vrouwen uit de hoogste bevolkingslagen in
de arena vochten. De tekst zelf lijkt er in het eerste opzicht ook op
te wijzen dat er vrouwen vrijwillig de arena betraden: er staat immers
‘vrouwen vernederden zich…’. Met wat we van
Tacitus weten over zijn houding met betrekking tot zijn oordeel over Nero
mag verwacht worden dat hij in geval van dwang, dit zeker vermeld zou
hebben.
Een volgende gelegenheid waarbij vrouwen optraden als gladiatoren stamt
uit 66 n.Chr. en vond plaats in Puteoli (het huidige Pozzuoli)[61].
Nero pakte hier groots uit om de Parthische koning Tiridates te imponeren.
Patrobius, een vrijgelaten slaaf van Nero organiseerde spelen waaraan
op één dag alleen Ethiopiërs meededen. Het bijzondere
hieraan was dat er zowel mannen als vrouwen en kinderen meevochten. Dio
schrijft:
Cassius Dio 63.3.1
(..) Het was onder leiding van Patrobius, een van zijn vrijgelatenen,
die erin slaagde het een schitterende en kostbare zaak te maken, wat af
te leiden valt uit het feit dat op een van de dagen Ethiopiërs -
mannen, vrouwen en kinderen - in de arena verschenen. (..)
In dit fragment gaat het duidelijk om vrouwen van lage komaf. Er waren
immers geen Ethiopiërs die tot de elite behoorden.[62]
Ik denk daarnaast ook dat het hier om gedwongen deelname gaat en niet
om vrijwilligers, omdat niet bekend is dat er grote groepen Ethiopiërs
in Rome leefden, laat staan dat er een heleboel vrijwillig bij een gladiatorenschool
aangesloten waren. De Ethiopiërs moeten geïmporteerde (of op
de slavenmarkt gekochte) slaven geweest zijn.
De laatste literaire verwijzing uit de tijd van Nero vinden we bij de
Romeinse romanschrijver Petronius, die als ceremoniemeester van Nero de
taak had nachtelijke banketten en orgieën te organiseren. In die
functie schreef hij het Satyricon, waarin een dosis literatuur-
en maatschappijkritiek gegeven wordt.[63] Tijdens
een uitgebreide maaltijd van de schatrijke parvenu Trimalchio vertelde
een zekere Echion over de komende feestelijkheden. Voor deze spelen waren
reeds enkele dwergen en een vrouw die vanaf een strijdwagen zou vechten
(essedaria) geregeld, aldus Petronius.[64]
Het fragment geeft echter geen enkele aanwijzing omtrent de afkomst en
motivatie van de genoemde wagenstrijdster. Omdat het hier ook eigenlijk
niet om een ‘gladiatrix’ gaat is deze bron verder niet te
gebruiken ter beantwoording van de vraagstelling. Deze fragmenten laten
evenwel allemaal zien dat tijdens keizerjaren van Nero regelmatig vrouwen
in de arena terechtkwamen, zowel uit de elite als van lage komaf, en ook
dat er zowel van vrijwillige als van gedwongen deelname sprake was.[65]
De aanwezigheid van vrouwelijke deelnemers aan de spelen bleef evenwel
niet beperkt tot de periode van Nero. In 80 n.Chr. traden vrouwen op bij
de opening van het Colosseum. Dit vond plaats onder auspiciën van
keizer Titus. Opnieuw spreekt Cassius Dio ons toe. Hij zegt:
Cassius Dio 66.25.1
(..) Er was een gevecht tussen kraanvogels en vier olifanten; 9000 zowel
tamme als wilde dieren werden afgeslacht; en vrouwen (niet uit voorname
kringen, overigens) namen eraan deel hen (de dieren) te doden. (..)[66]
De dichter en satiricus Martialis maakt eveneens melding van vrouwelijke
gladiatoren tijdens deze openingsspelen in het Colosseum.[67]
Hij meldt in zijn vroegste werk, het liber spectaculorum, dat
in datzelfde jaar gepubliceerd werd:
Martialis, De Spectaculis 6
(..) Venus zelf heeft ook gediend.(..)
‘Venus’ verwijst hier naar vrouwen die in het amfitheater
streden. Na dit gegeven gemeld te hebben schrijft Martialis in het volgende
vers over een vrouwelijke bestiarius, zoals we al eerder in bovenstaand
fragment van Dio tegenkwamen.
Na eerst over de legendarische Hercules en diens macht over een leeuw
te hebben gesproken, zegt Martialis het volgende:
Martialis, De Spectaculis 6b
(..) O Caesar, we stellen vast dat zulke dingen nu door de dapperheid
van vrouwen teweeggebracht worden (..)
De drie hierboven genoemde bronnen kunnen we voor de bespreking samen
nemen. Alle drie de bronnen handelen immers over de spelen die gehouden
werden bij de opening van het Colosseum. Blijkbaar waren er vrouwen te
bewonderen die aan jachtpartijen meededen en met wilde dieren vochten.
Dio meldt er expliciet bij dat het niet om vrouwen uit de elite ging.[68]
De vrouw die in Martialis De Spectaculis 6b genoemd wordt zal
daarom waarschijnlijk ook van lage komaf zijn.[69]
We kunnen uit deze fragmenten niet vaststellen of we met gedwongen vrouwen
of met vrijwilligers te doen hebben. Echter, zoals ik in paragraaf 2.3.
concludeerde bestond de grootste groep van gladiatoren van lage komaf
uit gedwongen gladiatoren. Daarnaast wordt nergens expliciet vermeld dat
er ook contractgladiatoren waren bij de ludi venatoria. Derhalve
concludeer ik dat de vrouwen uit deze fragmenten gedwongen zijn geweest.
Ook van Domitianus is bekend dat hij vrouwen tegen elkaar liet vechten.
Uit de geschriften van Cassius Dio blijkt dat deze keizer regelmatig gevechten
in de nachtelijke uren liet plaatsvinden, en af en toe dwergen en vrouwen
tegen elkaar liet vechten. Dio schrijft:
Cassius Dio 67.8.4
(..) Dikwijls liet hij de spelen ook ’s nachts plaatsvinden, en
soms liet hij dwergen en vrouwen tegen elkaar vechten. (..)
Ditzelfde wordt gemeld door Statius, een Romeinse auteur uit de eerste
eeuw n.Chr.[70] In onderstaand fragment beschrijft
hij een banket dat gehouden werd door Domitianus, waarbij het volgende
gebeurde:
Statius Silvae 1.6.51-64
(..) Temidden van deze roes en vreemde luxe veranderde het plezier van
het tafereel al snel: vrouwen die niet getraind waren voor het zwaard
traden op, vermetel, hoe niets ontziend, in mannelijke gevechten dat je
zou denken dat Amazonen aan het vechten waren met Tanaïs of de barbaar
Phasis. Toen kwam een stoutmoedige schare dwergen, wier groeiperiode abrupt
eindigde en hen voor eens en altijd in een bij elkaar geknoopte massa
houdt. Zij maken en incasseren wonden, en dreigen met de dood –
met vuisten zo klein! Vader Mars en Bloedvlekkengevende Dapperheid lachen,
en de kraanvogels[71], wachtend te stoten op een verborgen
buit, verwonderen zich over de meedogenloze boksers. (..)
De Romeinse schrijver Suetonius meldt in zijn werk dat Domitianus vrouwen
liet vechten bij het licht van fakkels.[72]
Suetonius, De Vita Caesarum, Domitianus 3-4.
(..) Hij gaf het ene schouwspel na het andere, groots en kostbaar, zowel
in het amfitheater, als in het Circus Maximus, waar hij de gebruikelijke
wedrennen van tweespannen en vierspannen liet houden, maar ook twee veldsagen,
één door ruiters en één door infanteristen.
In het amfitheater organiseerde hij bovendien een zeegevecht. Hij liet
ook nachtelijke jachtpartijen op wilde beesten houden, en gladiatorengevechten
bij lamplicht en niet alleen gevechten tussen mannen maar ook tussen vrouwen.
(..)
In het fragment van Cassius Dio en van Suetonius wordt het niet direct
duidelijk of het gaat om vrouwen uit de elite of van lage komaf. Maar
aangezien geen van beide auteurs expliciet verwijst naar vrouwen uit de
elite, en Dio dit in een paar andere bronnen (zie boven) wel een paar
keer expliciet vermeldt, en Suetonius bekend staat om zijn nauwkeurigheid
van rapportage, denk ik dat het in deze twee bronnen om vrouwen van lage
komaf gaat. Het valt evenwel niet te achterhalen of we hier te doen hebben
met vrijwilligers of met gedwongen strijdsters.
In het fragment van Statius wordt, in tegenstelling tot de twee hiervoor
genoemde fragmenten, niet gesproken van een serieus gevecht in de arena,
maar van een incident waarbij een aantal ongetrainde vrouwen het zwaard
hanteren.[73] Tijdens het genoemde banket sloeg wellicht
onder invloed van de drank de sfeer zodanig om dat een paar vrouwen op
die (blijkbaar uit zichzelf, dus vrijwillig) het zwaard ophieven.[74]
Statius is niet te spreken over deze vrouwen, die immers het zwaard hieven
in wat hij noemt ‘mannelijke gevechten’. Gezien de context
van het verhaal en de kritiek op het tweegevecht door Statius, gaat het
hier om vrouwen uit de elite.[75]
De volgende twee fragmenten zijn van de hand van (volgens velen de grootste)
Romeinse satiricus Juvenalis, die tussen 100-130 n.Chr. in totaal zestien
satiren schreef, waarin hij uithaalt naar de zijns inziens sociale misstanden
en achteruitgaande moraal van zijn tijd. In vers 22-23 berispt hij een
vrouw, die het met een speer in haar hand en met een ontblote borst opneemt
tegen een wildzwijn.[76]
Juvenalis Satiren 1,22-23
Wanneer er vrouwen zijn,
die met ontblote mammen
Toscaanse zwijnen rijgen aan
hun jachtspriet.
Het is niet duidelijk waar Juvenalis precies op doelt in zijn kritiek:
gaat het hem op het feit dat vrouwen in de arena optreden (maar
dit was niet nieuw), of om de getoonde blote borsten? Dit laatste lijkt
mij het geval. Juvenalis zou anders niet de toevoeging ‘met ontblote
mammen’ hebben gegeven. Daarbij komt ook nog dat zijn zesde satire
pas specifiek over vrouwen gaat. De venatrix waarover in dit
fragment gesproken wordt zal mijns inziens onvrijwillig de arena hebben
betreden, en van lage komaf geweest zijn. Hiervoor hanteer ik ook dezelfde
argumenten als bij Martialis, De Spectaculis 6-6b (zie boven).
Iets verderop in zijn zesde satire maakt Juvenalis een vrouw belachelijk
die als een gladiator traint.
Juvenalis Satiren 6,247-264
Purperen badjassen en damesolie,
wie kent dit niet? Wie zag nog nooit een vrouw
vanachter haar uitdagend schild voortdurend
de oefenpaal bestoken met haar zwaard,
precies volgens de regels van het spel?
Zo’n vrouw is een klaroenstoot waard - maar stel
dat in haar hart meer omgaat, dat zij traint
voor ’t echte Circus? Zo’n gehelmde vrouw
meent dat ze alles mag, haar eigen vrouwzijn
ontvlucht ze ook, ze houdt van kracht, hoewel ze
ook weer geen echte man wil zijn: dat voelt te koud!
Maar als je ooit eens moet verkopen wat
je vrouw bezat, dan maak je echt wel indruk
met helmbos, degengordel, vechthandschoenen
en linkerscheenplaat; of wanneer je vrouwtje
op andere wapens overgaat en dus
haar beenbeschermers wegdoet, kun jij trots zijn!
En kijk, terwijl zij ’t duurst en dunst gewaad
vaak niet verdragen, zelfs gevoelig blijken
voor zijden stofjes, moet je nu eens zien
hoe zij de hun gedemonstreerde slagen
hijgende nadoen, onder wat voor helm
hun hoofdjes kreunen en hoe dikke zwachtels
van ruwe bast hun knieën ondersteunen.
Juvenalis Satiren 6,264-267
‘en maak je dan maar vrolijk,
wanneer zij de wapens neerlegt
en de drinkschaal ter hand neemt.
Zeggen jullie mij eens,
kleindochters van Lepidus of
van de blinde Metellus of van
Fabius Gurges, welke
gladiatorvrouw heeft ooit zulke
airs aangenomen? Wanneer hijgt
de vrouw van Asylus (een gladiator)
ooit bij de oefenpaal?
In dit fragment wordt over een vrouw uit de elite gesproken. De laatste
zinnen wijzen erop dat het hier de vrouw van een mannelijke gladiator
uit de elite betreft. Het is in dit fragment echter niet duidelijk of
het hier om een ‘echte’ gladiatrix handelt of dat
ze alleen de training ervan doet. Juvenalis vraagt zich immers af of ze
misschien voor de arena aan het trainen is. Evenmin valt uit
te maken of het hier om een echt personage of een fictief persoon gaat
als onderwerp van deze satire. Maar de satire moet hebben aangesloten
bij een bestaand maatschappelijk fenomeen, anders zou het geen enkele
satirische functie kunnen vervullen. Juvenalis waarschuwt blijkbaar mannen
uit de elite voor hun vrouwen, die misschien ook wel de arena willen betreden,
en dit gezien voorgaande bronnen ook soms daadwerkelijk deden. Juvenalis
is duidelijk niet te spreken over dit soort gladiatrices uit de elite,
overeenkomstig andere critici zoals Statius (zie boven). Dit fragment
verwijst derhalve (direct of indirect) naar een vrouw(en) uit de elite
die vrijwillig het gevecht wilden aangaan.[78]
Het meest tastbare bewijs voor het bestaan van vrouwelijke gladiatoren
betreft een marmeren grafreliëf afkomstig uit Halicarnassus in Asia
Minor (grofweg het huidige Turkije) uit de eerste of tweede eeuw n.Chr.,
dat te bewonderen valt in het British Museum in Londen (zie afbeelding
voorpagina). Hierop staan zonder enige twijfel twee vrouwelijke gladiatoren
afgebeeld. Het onderschrift luidt ‘Amazone (en) Achillia’,
wat de bijnamen (zie noot 26) van de twee vrouwen
in de arena moeten zijn geweest.[79] De Amazonen leverden
volgens de mythe slag met diverse Griekse helden onder wie Achilles. Achillia
was de vrouwelijke variant van de legendarische held Achilles, die volgens
de Griekse mythe in een ver verleden de stad Troje belegerde. Het lijkt
mij bijna wel zeker dat op het reliëf een scène staat afgebeeld
van dit mythologisch verhaal.[80] Het is zeker dat
beide vrouwen slaven of veroordeelden waren, want bovenaan staat de Griekse
tekst apeluthèsan, dat ‘vrijlating’ betekent.
Het werd waarschijnlijk gemaakt om de vrijlating van de twee vrouwen te
herdenken, nadat ze enkele voortreffelijke gevechten hadden laten zien.[81]
Het betreft hier dus niet twee gladiatrices die een ‘contract’
hadden uitgediend. Beide vrouwen zullen van lage komaf zijn geweest (en
rijk genoeg geworden met hun optredens als gladiatrix om een reliëf
te kunnen betalen), daar iemand uit de elite gewoonlijk niet veroordeeld
werd tot de gladiatorenschool, noch als gevangene of als slaaf.[82]
Dit reliëf is voor zover bekend helaas de enige nog bestaande afbeelding
van gladiatrices.[83] De laatste bron is weer een
literaire bron. Septimius Severus maakte in 200 n.Chr. een eind aan het
optreden van vrouwen in de arena. Hij verbood vrouwen van welke stand
dan ook de arena te betreden. Cassius Dio weet ons te vertellen:
Cassius Dio 76.16.1
(..) Er vond tijdens deze dagen ook een sportwedstrijd plaats, waarbij
een zo groot aantal atleten samenkwam, onder dwang, dat we ons kunnen
afvragen hoe al deze atleten gezamenlijk mee konden doen aan de wedstrijd.
En er namen vrouwen deel, zeer woest met elkaar strijdend, met het resultaat
dat er ook grappen werden gemaakt over andere zeer voorname vrouwen. Daarom
werd het van nu af verboden voor alle vrouwen, van welke afkomst dan ook,
om aan een tweegevecht mee te doen (..).
Dio meldt dat de atleten van de hier genoemde sportwedstrijden, onder
wie de vrouwelijke tweevechters, gedwongen waren. Het betreft hier volgens
mij geen veroordeelden of slaven, want dan zou er geen expliciete verwijzing
gegeven worden. Blijkbaar zijn het ‘vrijen’, die echter voor
die gelegenheid gedwongen werden aan de ‘sportwedstrijden’
mee te doen. Het wordt evenwel niet duidelijk hoe serieus deze gevechten
moeten worden opgevat, maar het lijkt hier te gaan om een gelegenheidsgebeurtenis
waarbij ongetrainde mannen en vrouwen als behalve als atleten ook als
gladiator respectievelijk gladiatrix optraden.
De afkomst van de vrouwelijke tweevechters is iets meer voor discussie
vatbaar. Het tekstgedeelte ‘ook grappen werden gemaakt over andere
zeer voorname vrouwen’ lijkt er op het eerste gezicht op te wijzen
dat de optredende vrouwen van de elite waren, wier geslacht belachelijk
gemaakt werd, wat vervolgens oversloeg op andere vrouwen uit de elite.
In de laatste regels wordt evenwel van een algemeen verbod gesproken voor
alle vrouwen van welke stand dan ook, dat als reactie op het
gebeuren ingesteld werd. Als de aanleiding tot het verbod een gladiatrix
uit de elite was geweest, met bovengenoemde hoon tot gevolg, dan zou ik
een verbod voor alle vrouwen uit de elite verwacht hebben. Ik
denk dat de gladiatrices juist ‘vrije’ vrouwen van lage komaf
geweest zijn, over wie grappen werden gemaakt. Blijkbaar kwam er reactie
op het geslacht van de vrouwen, die immers als ‘vrijen’ niet
geacht werden op te treden als tweevechters. Dit had blijkbaar ook consequenties
voor het beeld van andere vrije vrouwen, waaronder die uit de elite, waarover
vanaf toen ook grappen werden gemaakt. In dit licht bezien valt wel te
begrijpen dat één en ander leidde tot een verbod voor alle
vrouwen om in de arena op te treden.[84] Het genoemde
tekstgedeelte is volgens mij dan ook te lezen als ‘ook
grappen werden gemaakt over andere, zeer voorname, vrouwen’, waarbij
de optredende vrouwen als ‘andere, niet voorname, vrouwen’
te lezen vallen.
Van de periode daarna hebben we geen bronnen meer die naar vrouwelijke
gladiatoren verwijzen. Blijkbaar stierf het fenomeen toen echt uit, maar
dat gold in feite ook voor de gladiatorenspelen in zijn geheel. Er moet
evenwel op gewezen worden dat vrouwen nog wel als ter dood veroordeelden
(noxii) de arena konden betreden. Hiervan getuigt een executie
van twee jonge vrouwen in 203 n.Chr. in Carthago, die beiden als christenen
voor de wilde dieren werden gegooid.[85] Maar van
gladiatorengevechten was blijkbaar geen sprake meer.
48) Athenaeus, Deiphnosophistae
4.153ff.
49) zie bijvoorbeeld Hopkins (1983) n.34.
50) CIL 9, 2237. Een duumvir was de belangrijkste
overheidspersoon in steden. Je zou hem kunnen vergelijken met ‘onze’
burgemeester. Er waren er echter altijd twee in elke stad.
51) in: Briquel (1992) 52.
52) Gardner (1990) 247.
53) Vesley (1998) 91. Epigrafisch materiaal (CIL 14,
4014 ; CIL 8, 1885 ; CIL 9, 4696), doet inderdaad vermoeden dat gedurende
een bepaalde periode in de keizertijd ook jonge vrouwen uit de elite in
de collegia iuvenum (die in het hele Romeinse rijk voorkwamen)
zijn toegelaten, om er net als de jongens (zie paragraaf 2.3, en noot
29) te trainen voor diverse sporten, waaronder vechtkunsten, hoewel de
omstandigheden niet geheel duidelijk zijn (zie Vesley (1998) 89).
54) Zie Levick (1983) voor een uitgebreide bespreking
van dit tablet. Er is slechts een deel van het tablet bewaard gebleven,
maar de verboden op het bewaard gebleven deel van het tablet beslaan een
tijdperk van 46 v.Chr. – 15 n. Chr. Het eerste verbod voor senatoren
om in het amfitheater op te treden dateert volgens dit tablet uit 46 v.Chr.
Ditzelfde verbod wordt door Cassius Dio en door Suetonius vermeld (zie
Dio XLIII 23.5; Suet., Div.Iul. 39.1, zie ook noot 35). Caesar
verbood dat jaar een senator Fulvius Sepinus op te treden in de arena,
maar stond ditzelfde volgens Suetonius echter wel toe aan een man van
ridderlijke afkomst. Mannen van de ridderstand werd blijkbaar de vrije
keus gelaten, maar een gevecht in de arena door een senator ging Caesar
blijkbaar toch iets te ver, zie Levick (1983) 105.
55) Dio 54. 2.5.
56) Zie voor een argumentatie van deze auteurs Levick
(1983) p. 106-107. Echter, in Dio 54. 2.5 en 53. 31.3 wordt expliciet
verwezen naar theateropvoeringen en niet naar optredens in de arena. In
Dio 54. 2.5 wordt ten
aanzien van het verbod van kleinzoons gesproken, en niet van kleindochters
of ander vrouwvolk.
57) Levick (1983) 99. In het verbod wordt niet specifiek
gesproken van mannen en vrouwen uit de elite, maar van alle vrijgeboren
vrouwen. Echter, het SC was in zijn geheel gericht op de mensen uit de
bovenlaag, dus dit verbod gold blijkbaar specifiek voor vrouwen uit de
elite. De meeste auteurs zien dit verbod uit het SC dan ook als bewijs
dat vrouwen uit de elite in die periode al vrijwillig de arena betraden,
anders hoefde het immers niet verboden te worden (zie bijvoorbeeld Gardner
(1990) 248 voor deze opvatting).
58) Dio 61.17.3-4. Cassius Dio was afkomstig uit een
Grieks sprekende aristocratische familie, en komt uiteindelijk in het
hoge bestuursapparaat van Rome terecht, waar hij werkzaam was van 180-229.
Hij wordt senator en consul. In die functie maakt hij van dichtbij de
politieke woelingen mee van zijn tijd. Opmerkelijk is dat Cassius Dio
de geschiedenis van Rome beschrijft alsof hij zelf deel heeft aan datgene
wat hij over het verleden schrijft. Dit is derhalve ook duidelijk te lezen
in het gegeven fragment, waarop hij schande spreekt van deelname van de
aristocratie aan de spelen, alsof dit gaat om een gebeurtenis die dezelfde
dag als het schrijven plaats zou hebben gevonden. Toch is Cassius Dio
wel te typeren als een betrouwbaar en grondig onderzoeker. Zijn werk is
gebaseerd op materiaal dat hij in tien jaar tijd verzamelde over het verleden,
en ij deed er nog eens twaalf jaar over het hele werk, dat in totaal 80
boeken besloeg, te schrijven. Dio heeft ook een redelijk zakelijke manier
van schrijven: evenwichtig en gecontroleerd. (bron: Pfeiffer (2000) 217.)
59) Het Amphitheatrum Flavium, later bekend
als het Colosseum.
60) Tacitus (ca. 55-120 n.Chr.) schreef tijdens de
regeringsjaren van Trajanus en Hadrianus twee grote geschiedwerken, waarin
hij zijn negatieve visie over de keizertijd ten opzichte van de oude Republiek
laat doorschemeren. In de Annales, dat in 117 verscheen en waarvan hierboven
een fragment staat afgebeeld, beschrijft hij de regering van de Julisch-Claudische
keizers vanaf de dood van Augustus (14) tot aan de dood van Nero (68).
Tacitus heeft een ‘dramatische’ schrijfstijl: de historische
realiteit worden als een doorlopend drama afgebeeld. Tacitus is duidelijk
bevooroordeeld en partijdig, en probeert telkens de gebeurtenissen negatief
uit te leggen, zie Pfeiffer (2000) 211-214. Volgens Pfeiffer is hij de
‘vuilste, briljantste, meest manipulatieve en handigste prozaïst
die Rome heeft voortgebracht’ (p.213).
61) Dio 63.3.1
62) Dit verklaart dat zowel mannen, vrouwen als kinderen
zonder enige schroom de arena in gestuurd werden.
63) Het is tot op heden discutabel wanneer de Satyricon
geschreven is en over welke periode de verhalen gaan, maar inhoudelijk
lijkt het geschreven te zijn tussen 60en 70 n.Chr., en lijkt het erop
dat het geheel zich afspeelt in de tijd dat Claudius (41-54) in Rome de
scepter zwaaide. De stijl van Petronius is in vergelijking met zijn Griekse
voorgangers en tijdgenoten veel realistischer. Dit laatste is ondermeer
af te leiden uit zijn schrijfstijl de personages die in zijn werk voorkomen
in hun eigen stijl te laten spreken, waarbij hij hun taal en schrijffouten
imiteert (bron: Pfeijffer (2000) 242-244).
64) Petronius, Sat. 45.7. De realistische schrijfstijl
van Petronius maakt dit tekstgedeelte een interessante bron. We mogen
deze bron dan ook toevoegen aan het schaarse assortiment van bronnen dat
we hebben.
65) Ville maakt de opmerking dat deelname van vrouwen
in de tijd van Nero niet als iets nieuws wordt gepresenteerd door de verschillende
antieke auteurs. We kunnen concluderen dat vrouwen al eerder de arena
hadden betreden, wat klopt met wat boven uit het SC geconcludeerd is,
zie Ville (1981) 263.
66) Volgens Ville zijn de strijdsters in Cassius Dio
66.25.1 allemaal bestiarii, maar ik heb al eerder vermeld dat
moderne auteurs deze termen nog wel eens door elkaar gebruiken. Dio praat
in het genoemde fragment over gevechten met ‘zowel tamme als wilde
dieren’ en ‘vrouwen namen eraan deel hen (de dieren) te doden’,
waarbij het laatste dus op beide groepen dieren slaat. Het betreft hier
zowel vrouwelijke venatores als bestiarii (zie noot
10), dit in tegenstelling met wat Ville beweert (zie Ville (1981) 263).
67) Martialis, De Spectaculis 6-6b. Martialis
(ca.40-ca.104 n.Chr.) was van ca. 64-98 n.Chr. in Rome werkzaam. In zijn
epigrammen (waarvan De Spectaculis een voorbeeld is) geeft hij
namelijk rake observaties en typeringen van maatschappelijke verschijnselen
van zijn dagen. Hij beschrijft dit met een dosis humor, om de waanzin
van het leven van Rome uit zijn tijd weer te geven. In ieder gedichtje
maakt Martialis zijn punt. Martialis, De Spectaculis 6b is hier
een goed voorbeeld van: hij schertst blijkbaar over het verschijnsel venatrix,
en heeft hiervoor maar weinig woorden nodig (bron: Pfeijffer (2000) 202-204).
68) Wat overigens aangeeft dat er blijkbaar soms ook
vrouwen uit de elite als venator of bestiarius optraden,
anders hoeft Cassius Dio dit niet apart te vermelden.
69) Martialis, De Spectaculis 6 verwijst alleen
naar het gegeven dat vrouwen de arena betraden, wat ook al uit
de twee andere fragmenten te lezen valt, maar geeft geen verdere informatie
omtrent afkomst en motivatie van de vrouwen. Ik zal deze twee fragmenten
bij de verdere discussie in paragraaf 4.2 dan ook samen nemen.
70) Statius Silvae 1.6.51-64; Statius (ca.
40 of 50-96 n.Chr.) schreef een collectie van 32 gedichten, die hij bundelde
en de naam Silvae (gebladerte) gaf. Het zijn gelegenheidsgedichten
voor verjaardagen, bruiloften, en begrafenissen. Verder zijn het beschrijvingen
van gebouwen, kunstvoorwerpen, huisdieren en slaven (bron: Pfeijffer (2000)
193-194).
71) Dit verwijst naar Homerius Illias III.3,
waar verwezen wordt naar vogels die de Pygmeeën te lijf gingen en
onder hen dood en verderf zaaiden. De dwergen uit dit fragment van Statius
zijn blijkbaar nog moediger dan deze vogels.
72) Omdat hij aan het hof van Trajanus hoge administratieve
functies bekleedde had Suetonius (ca. 70-ca. 135 n.Chr.) toegang tot de
keizerlijke archieven. Hij geeft een levensbeschrijving van de eerste
twaalf caesares van Rome van Julius Caesar tot en met Domitianus, dat
in 122 n.C gepubliceerd wordt. Iedere levensbeschrijving bestaat uit een
vast patroon, alsof Suetonius ze via een kaartenbak gerangschikt heeft.
Suetonius citeert een aantal malen uit zijn gevonden documenten. Opvallend
zijn dan ook de details die hij geeft over het leven van de keizers, wat
bij het grote publiek erg interessant werd gevonden. Hij schrijft op een
droge manier, met wetenschappelijk Latijn en zonder opsmuk. Suetonius
is als een analyticus te zien, veel meer dan een literair wonder, maar
dat maakt zijn waarde als ‘objectieve’ bron misschien wel
groter. (bron: Pfeiffer (2000) 214-215.)
73) We moeten er vanuit gaan dat de besproken gevechten
uit Suetonius, De Vita Caesarum, Domitianus 3-4 in de arena waren,
gezien de context van het verhaal. Het correspondeert dan ook met wat
in Dio 67.8.4. staat. Het gaat in beide gevallen om de spelen, en die
werden altijd in de arena gehouden.
74) Statius gebruikt veel dichterlijke overdrijving,
maar wel zal hij in dit fragment verwijzen naar taferelen die zo nu en
dan werkelijk hebben plaatsgevonden. Satire moet immers enigszins bij
bestaande maatschappelijke taferelen aansluiten.
75) Voorgaande bronnen geven aan dat vrouwen van lage
komaf wel vaker in de arena vochten, en een gangbaarder verschijning waren
dan vrouwen uit de elite. Vrouwen uit de elite kregen juist heel veel
kritiek.
76) Er is dus sprake van een venatrix gezien
het wild waarop ze jaagt.
77) Pfeiffer zegt over Juvenalis’ Satiren
‘Het zijn stuk voor stuk grimmige, provocerende uitbarstingen van
verontwaardiging en haat. De toon is bitter en sarcastisch. Ironie, innuendo
en invective worden met maximale effectiviteit ingezet’ (zie Pfeijffer,
(2000) 202).
78) zie ook Briquel (1992) 48.
79) Meijer (2003) 84. ‘Amazone’ verwijst
naar het mythische volk van krijgshaftige vrouwen, die werden geregeerd
door een koningin en geen mannen in hun gelederen duldden. Dit volk werd
verondersteld te leven ten noordoosten van het Griekse cultuurgebied (Thracië
of Skythië), dan wel ten zuiden of zuidoosten van de Zwarte Zee.
Opvallend is dat de linkervrouw een ontblote rechterkant heeft, maar dat
de borst niet goed te zien is, wat strookt met het mythisch gegeven dat
bij de dochters van deze vrouwen de rechterborst nog wel eens zou zijn
weggehaald, zodat ze geen hinder zouden ondervinden bij het hanteren van
pijl en boog of een lans. Zij draagt dan ook niet voor niets de naam Amazon,
dat door Apollodoros van het Griekse woord a-mazos dat ‘zonder
borst’ betekent afgeleid is; zie: Moormann, E.M., Uitterhoeve, W.,
van Achilleus tot Zeus (Nijmegen 1999) 33.
80) We kwamen de connectie tussen de mythe van de Amazonen
en gladiatrices al eerder tegen bij Juvenalis (zie boven). De Amazonomachie’
(de strijd tussen de Grieken en Amazonen) komt in de Griekse kunst veel
voor, en in de Romeinse tijd vrijwel uitsluitend op sarcofagen, waarvan
dit een fragment zal zijn. Dat het fragment uit het Griekse deel van het
Romeinse Rijk afkomstig is mag geen toeval heten. Het sloot immers aan
bij de Griekse mythen die in die omstreken bekend geweest zullen zijn.
De vrouwelijke gladiator Die de arena eervol kon verlaten zal zich bij
haar dood heldhaftig hebben willen afbeelden, als Achilles, die één
van de meest populaire helden was van de Griekse cultuur. Op Romeinse
sarcofaagreliëfs zijn vaak voorstellingen te vinden die met de dood
te maken hebben. Achilles in strijd met de Amazonen moet wellicht de dapperheid
van de overledene verzinnebeelden (zie Moormann, E.M.,Uitterhoeve, W.,
van Achilleus tot Zeus (Nijmegen 1999) 15, 34-35.
81) Ewigleben (2000) 127 (zie ook Pringle (2001) 50).
Ik heb in hoofdstuk 2 reeds gewezen op het feit dat hoe succesvoller een
gladiator was hoe meer hij/zij de kans kreeg vrijgelaten te worden. Wanneer
zij stierven lieten ze nog wel eens een graftombe oprichten met daarop
vermeld hun roemrijke daden in de arena. Dit lijkt derhalve ook voor de
vrouwen op dit reliëf te hebben gegolden.
82) Alleen bij hoge uitzondering kon de keizer misschien
een vrouw uit de elite dwingen, zoals met mannen gebeurd lijkt te zijn,
maar dan was dit hooguit eenmalig en niet voor langere tijd, waarbij iemand
zich na lange staat van dienst vrij kon vechten. Van vrouwen die gedwongen
werden was tot nu toe ook alleen sprake in Cassius Dio 61.17.3-4 (zie
boven), maar zelfs in dat fragment is dit twijfelachtig.
83) Pringle (2001) 50. In Wiedemann wordt nog een afbeelding
gegeven, maar het is helemaal niet aangetoond dat we hier te doen hebben
met vrouwelijke gladiatoren (zie Wiedemann (1992) 53 n.117, waarin hij
zijn opvatting beargumenteerd). Wiedemann is ook de enige auteur die naar
deze afbeelding verwijst in het kader van gladiatrices. Deze bron zal
in deze scriptie zodoende verder buiten beschouwing gelaten worden.
84) Cassius Dio zou ook niet nagelaten hebben de afkomst
van de vrouwen te noemen als deze uit de elite waren geweest. Hij doet
dit immers ook in Dio 61.17.3-4.
85) zie Slater (1996) 129. Voor de Griekse tekst zie
Robert (1982) 228-286, i.h.b. 253-273.
4.1 Inleiding
In tabel 1 zijn de in het vorige hoofdstuk genoemde bronnen schematisch
en op chronologische wijze weergegeven. Van iedere bron is het jaar waarover
deze bron handelt vermeld, evenals de keizer die toen regeerde, de inhoud
van de bron, en de sociale achtergrond en motieven van de daarin genoemde
vrouwen, analoog aan de wijze waarop ik dat besproken heb. Het gegeven
afkomstig van Nicolaus van Damascus (Athenaeus, Deiphnosophistae
4.153ff.) heb ik hieruit weggelaten, omdat deze bron sterk discutabel
is (zie hoofdstuk 3). Ik voeg deze bron daarom niet toe aan het geheel
aan bronnen waarop ik de discussie en conclusies van dit en volgend hoofdstuk
zal baseren. Ditzelfde geldt voor de grafvondst in Londen (zie inleiding),
en het door Wiedemann genoemde grafreliëf, waarover ook geen duidelijkheid
bestaat (zie noot 83).
Tabel 1. Overzicht van de in hoofdstuk 3 genoemde bronnen over vrouwelijke
gladiatoren. Van iedere bron is het jaar waarover deze bron handelt vermeld,
evenals de keizer die toen regeerde, de inhoud van de bron, en de sociale
achtergrond en motieven van de daarin genoemde vrouwen.
| bron | jaar | keizer | inhoud | elite/niet-elite? | vrijwillig/dwang? |
| CIL 9, 2237 | Datering onbekend | Onbekend. | Vrouwelijke zwaardvechters | Elite. Vrouwen uit de collegia. | Vrijwillig.Vrouwen uit de collegia |
| SC (I) | 22 v.Chr. | Augustus | Verbod vrouwen uit elite het 'theater' (??) te betreden. | Elite | Vrijwillig |
| SC (II) | 11 n.Chr. | Augustus | verbod voor vrouwen uit elite van < 20 jr. de arena te betreden | Elite | Vrijwillig |
| Petronius, Sat. 45.7 | Tussen 41-54 n.Chr. | Claudius | vrouw met strijdwagen (essedaria) > geen gladiatrix /ook dwergen | Niet uit tekst op te maken | Niet uit tekst op te maken |
| Cassius Dio 61.17.3-4 | 59 n.Chr. | Nero | Mannen en vrouwen uit elite doodden wilde dieren en vochten als gladiatoren | Elite | Sommigen vrijwillig anderen niet |
| Tacitus 15.32 | 63 n.Chr. | Nero | meer dames van hoge geboorte dan vroeger vernederden zich alsÊ zwaardvechter | Elite | Vrijwillig. In context van de tekst. |
| Cassius Dio 63.3.1 | 66 n.Chr. | Nero | Ethiopiërs: mannen, vrouwen en kinderen | Niet-elite | Gedwongen |
| Cassius Dio 66.25.1 | 80 n.Chr. | Titus | Vrouwelijke bestiarius of venatrix | Niet-elite | Vrijwel zeker onvrijwillig |
| Martialis, De Spectaculis 6-6b* | 80 n.Chr. | Titus | Vrouwen in het Colosseum en vrouwelijke bestiarius | Niet-elite (in combinatie metÊ Dio 66.25.1.) | vrijwel zeker onvrijwillig |
| Cassius Dio 67.8.4 | 89 n.Chr. (?) | Domitianus | spelen die 's nachts plaatsvinden/ soms dwergen tegenover vrouwen | Niet-elite. Volgt uit wijze van rapportage. | Valt niet te achterhalen |
| Statius Silvae 1.6.51-64 | Tussen 81-96 n.C | Domitianus | Gevechten van (ongetrainde!) vrouwen en van dwergen, niet in arena | Elite. Schande van gesproken door Martialis. | Vrijwillig. uit de context van de tekst op te maken |
| Suetonius, De Vita Caesarum, Domitianus 3-4 | Tussen 81-96 n.C | Domitianus | vrouwen vechten bij het licht van fakkels. | Niet-elite. Volgt uit wijze van rapportage. | Valt niet te achterhalen |
| Juvenalis, Satiren 6 1.22-23 | Ca. 60-140 n.Chr. | Trajanus/ Hadrianus | Venatrix, met ontblote borsten, die het opneemt tegen een wildzwijn | vrijwel zeker van lage komaf | vrijwel zeker onvrijwillig |
| Juvenalis Satiren 6.247-267 | 60-140 n.Chr., | Trajanus/ Hadrianus | Vrouw belachelijk gemaakt die als een gladiator traint. | Elite | Gezien de context van het gedicht vrijwillig. |
| Reliëf afkomstig uit Halicarnassus | 1e of 2eÊ eeuw n.Chr. | Augustus t/m Septimus Severus | Grafreliëf met daarop twee gladiatrices | Niet-elite | Gedwongen |
| Cassius Dio 76.16.1 | 200 n.Chr. | Septimus Severus | Verbod voor vrouwen uit alle standen als gladiatoren op te treden | Niet-elite | Gedwongen (zie ook tabel 2) |
*) De fragmenten De Spectaculis 6 en 6b neem ik hier samen, omdat De Spectaculis 6 ten opzichte van 6b geen nieuwe informatie geeft, maar er wel mee verbonden is (zie ook noot 69).
Deze bronnen uit de tabel laten zien dat vrouwelijke gladiatoren in de arena opgetreden hebben, zowel in de rol als ‘tweevechters’ als bestiarii. Opvallend is dat we alleen bronnen hebben uit de eerste twee eeuwen van de keizertijd. We zien ook dat de vrouwen zowel uit de elite afkomstig waren als van lage komaf. De motieven van deze twee groepen vrouwen lijken echter verschillend te zijn. In de volgende paragraaf zal deze informatie verder uitgewerkt worden om zodoende tot een antwoord te komen op de vraagstelling van deze scriptie.
4.2. Discussie
Tabel 2 geeft een tweede schematisch overzicht van de bronnen die in hoofdstuk3 besproken zijn, maar in tegenstelling tot tabel 1 is erop gelet in hoeverre ze uitsluitsel geven over beide onderzoeksaspecten; de sociale achtergrond en motieven van de desbetreffende gladiatrices. De bronnen uit tabel 1 die ons over geen van beiden aspecten informatie verschaffen zijn hieruit weggelaten. De bronnen die over één aspect duidelijkheid gaven maar over het andere niet zijn in de tabel aangegeven met een (?). De rest van de bronnen zijn gewoon één keer genoemd.
Tabel 2. Overzicht van de motieven van vrouwelijke gladiatoren en
diens sociale
achtergrond, voor zover die aan de hand van de bronnen uit tabel 1 te
achterhalen zijn.
| ÊÊ | Elite | Niet-elite |
| Gedwongen | Cassius Dio 61.17.3-4 (?) | Cassius Dio 63.3.1; Cassius Dio 66.25.1; Martialis, De Spectaculis 6-6b; Cassius Dio 67.8.4 (?); Suetonius, De Vita Caesarum,Domitianus 3-4 (?); Juvenalis, Satiren 6 1.22-23; Reliëf afkomstig uit Halicarnassus; Cassius Dio 76.16.1.* |
| Vrijwillig | CIL 9, 2237; SC I ; ÊSC II; Cassius Dio 61.17.3-4 (?); Tacitus 15.32; Statius Silvae 1.6.51-64; Juvenalis Satiren 6.247-267. | Cassius Dio 67.8.4 (?) ; Suetonius, De Vita Caesarum, Domitianus 3-4 (?). |
Uit tabel 2 blijkt dat de bronnen uit hoofdstuk 3 in principe te plaatsen
zijn binnen de maatschappelijke context van wat we van mannelijke gladiatoren
weten. De meeste bronnen gaan over vrouwen van lage komaf. Ik heb bij
de meeste van deze bronnen kunnen beargumenteren dat het daarin om gedwongen
vrouwen moet gaan, zoals in het geval van de vrouw in Juvenalis, Satiren
6 1.22-23, en de vrouwen op het grafreliëf van Halicarnassus (zie
tabel 1). Als slaaf of veroordeelde zullen zij net als hun mannelijke
medestrijders in de arena terechtgekomen zijn door verkocht te worden
aan een ludus. Voor de rest van de bronnen blijft het motief
van de daarin genoemde vrouwen vooralsnog onduidelijk. Het is aan de hand
van de bronnen vooral moeilijk, zoniet onmogelijk te bepalen of vrouwen
van lage komaf vrijwillig de arena betreden hebben. Dit verklaart de vraagtekens
bij Cassius Dio 67.8.4. en Suetonius, De Vita Caesarum, Domitianus
3-4 uit tabel 2. Het is mogelijk dat deze vrouwen contractgladiatoren
waren, ofschoon van laatst genoemde, in tegenstelling met wat van mannen
bekend is, geen bewijs is.
De motieven van vrouwen van lage komaf zijn, als deze al vrijwillig de
arena betraden, in principe te begrijpen: geld (zeker bestaan), roem (popsterrenstatus)
of de spanning en sensatie op zich, zullen deze (mogelijke) vrijwilligsters
hebben gedreven (tijdelijk) een gladiatorenbestaan te leiden.[86]
De laaggeboren vrouwen uit de bronnen lijken vooralsnog echter slaven
en veroordeelden zijn geweest. De vrouwen in Cassius Dio 76.16.1. vormen
hierop een uitzondering (zie *) tabel 2).[87]
Heel anders zit het met vrouwen uit de elite. Net als hun mannelijke tegenhangers
konden vrouwen uit de elite in principe niet veroordeeld worden tot de
gladiatorenschool. Dat was immers een straf voor de ‘gewone man’.
Tabel 2 laat zien dat van alle hooggeboren vrouwen die in de bronnen genoemd
worden aan te geven is dat zij vrijwilligsters waren. Van gedwongen deelname
van deze vrouwen getuigen deze bronnen in elk geval niet. Cassius Dio
61.17.3-4. vormt een twijfelgeval.[88] Of zij zich
hiervoor bij een gladiatorenschool hebben aangesloten of niet valt niet
helemaal goed uit te maken.
In een vrij recent verschenen artikel verdedigt de auteur Michael Vesley
de opvatting dat vrouwen uit de elite hun training gekregen kunnen hebben
in één van de vele collegia (zie ook noot
29 en 53). Vesley stelt: ‘The presence of
female gladiators and athletes implies the existence of some type of training
system, and the most convenient place to look for ready-made training
facilities for girls around the empire is in the form of the collegia’.[89]
En later ‘We need not imagine young girls training at the regular
academies for slave-status gladiators. As Slater points out, by the time
of Nero Greek-style gymnastic facilities had been established in the heart
of Rome’.[90]
De vrouwen in de bronnen CIL 9, 2237; SC I; SC II; Cassius Dio 61.17.3-4;
Tacitus 15.32; Statius Silvae 1.6.51-64; Juvenalis Satiren
6.247-267 uit tabel 2 kunnen hun training hier ook gehad hebben. Voor
CIL 9 heb ik dit gegeven gebruikt bij de bepaling van de afkomst en motieven
van de genoemde vrouwen in de bron (zie hoofdstuk 3). Het fragment van
Juvenalis Satiren 6.247-267 zou ook in dit beeld kunnen passen.
Wordt hier een training een vrouw uit de elite in een collegium
gesitueerd? Zeker weten doen we dat niet, maar ik heb in dat fragment
al op een andere manier aangegeven dat de besproken vrouw uit de elite
afkomstig lijkt te zijn. Bovenstaande opvatting van Vesley kan een dergelijke
interpretatie van het fragment van Juvenalis ondersteunen.[91]
Ik heb al aangegeven dat er geen bewijs is dat vrouwen in een ludus
toegelaten werden. Dit zou die leegte in het ‘bewijsmateriaal’
daarvoor kunnen opvullen. De collegia waren er immers niet primair
op gericht op te leiden voor gladiatorenspelen, wat niet wegneemt dat
er critici als Juvenalis waren die al vreesden dat deze vrouwen aan het
trainen waren voor een echt optreden in de arena.
We hebben immers kunnen lezen dat er heel veel bezwaar was tegen vrijwillige
deelname van leden van de elite, zowel mannen (hoofdstuk 2) als vrouwen
(zie bronnen tabel 1). Militaire eer en sociaal prestige, iets wat voor
sociaal aan lager wal geraakte mannen uit de elite belangrijk kan zijn
geweest (zie paragraaf 2.3), kan vrouwen uit deze stand onmogelijk naar
de arena hebben gebracht. Vrouwen genoten een totaal andere status dan
mannen binnen de Romeinse samenleving.[92] Men dichtte
een goede vrouw geen militaire kwaliteiten toe en zal ze derhalve ook
niet als zodanig geëerd hebben.[93]
Vrouwen bekleedden officieel geen politieke functies, en konden om die
reden ook onmogelijk ‘het zwarte schaap’ van de familie worden,
zoals ik dat voor mannen uit de elite betoogd heb. Zoals Gundersson zegt:
‘Although well-born Roman women were important political players,
the overt Roman social categorizations could not accommodate them as such’.[94]
Voor vrouwen zal de mogelijkheid de arena te betreden zonder ‘sociale
schande’ te riskeren niet mogelijk geweest zijn: zij waren immers
vrouw en werden niet geacht op te treden als een gladiator die alle mannelijke
eigenschappen in zich verenigde (zie paragraaf 2.2).[95]
Wanneer in Cassius Dio 76.16.1 van tweegevechten gesproken wordt,
volgt in datzelfde fragment meteen kritiek op het geslacht van de tweevechters.
Ook in het fragment van Statius (Silvae 1.6.51-64) heb ik gewezen
op het feit dat in dat fragment over tweegevechten gesproken wordt als
‘mannelijke gevechten’,waarvan Statius schande spreekt. Ook
in Juvenalis Satiren 6.247-267 wordt een (mogelijk toekomstige)
vrouwelijke gladiator berispt. Dit waren allemaal ‘vrije’
vrouwen, waarvan de laatste twee afkomstig uit de elite, die ervan beschuldigd
werden zich met mannelijke zaken bezig te houden.[96]
In het geval van slaven etc., die veroordeeld waren tot de gladiatorenschool
was het veel minder een probleem welk geslacht ze hadden.[97]
Voor hen was een associatie met mannelijke gevechten niet verwerpelijk,
maar voor ‘vrije’ vrouwen des temeer. De tweevechters op het
grafreliëf van Halicarnassus worden bijvoorbeeld geëerd als
Amazonia en Achillia. Een verwijzing naar Amazonen vinden we ook terug
in Juvenalis, Satiren 6 1.22-23 en in Statius Silvae
1.6.51-64, waarin eenzelfde verwijzing naar Amazonen juist gebruikt wordt
om er de desbetreffende vrouwen uit de elite om te berispen.[98]
Mij lijkt dat militaire eer en sociaal prestige (van hun eigen standsgenoten)
in het geval van vrouwen uit de elite geen motief kan zijn geweest de
arena in te gaan. Financieel gewin kan tot de mogelijkheden hebben behoord,
maar ik heb reeds uitgelegd dat geen bewijs voorhanden is dat vrouwen
uit de elite zich als ‘contractgladiatoren’ aan een ludus
aangesloten hebben. Hoewel het dus niet uit te sluiten valt dat er vrouwen
voor geld de arena hebben betreden lijkt het mij vooralsnog niet afdoende
aangetoond dat zij dit ook echt gedaan hebben.
Blijft over dat een enkeling het vrijwillig deed om de spanning en sensatie
op te zoeken. Het valt op dat de eerste verboden van mensen uit de hoogste
gelederen van de samenleving (zie het SC) vanaf de periode van
Caesar stammen. Caesar was de eerste die de spelen grootschaliger en spectaculairder
opvoerde. Dit kan ook een grote aantrekkingskracht hebben uitgeoefend
op sommige vrouwen. Misschien dat deze vrouwen, gezien de sterk door mannen
bepaalde status die zij binnen de Romeinse elite hadden, door de arena
te betreden juist wilde ontsnappen uit deze anonimiteit. En al zullen
hen door dit te doen dan geen eerbewijzen uit de elite ten deel gevallen
zijn, wellicht hoopten zij toch een zekere ‘popsterrenstatus’
te halen. Er zijn evenwel geen bewijzen dat vrouwen als popsterren geëerd
werden, maar evenmin van het tegendeel. Het is zeer wel mogelijk dat,
in tegenstelling tot de elite, waarover we via de diverse satirici geïnformeerd
zijn, de grote massa op de tribune een vrouw uit de elite als een heldin
kon zien. In Cassius Dio 76.16.1 is Septimius Severus degene die aanstoot
neemt aan de ‘negatieve publiciteit’ die het optreden van
vrouwen als tweevechters voor de elite gaf. Maar in dit fragment gaat
het om gedwongen vrouwen, wat nog niets zegt over hoe het grote publiek
aankeek tegen vrouwen van hoge geboorte die vrijwillig de arena ingingen,
en in hun ogen gewoon voor een slavenstatus gekozen zouden hebben. Juist
omdat vrouwen niet elke keer aan de spelen meededen, was het enthousiasme
bij het grote publiek bij de keren dat ze wel optraden, en als gevolg
daarvan de kans dat een vrouw zich de sterrenstatus kon aanmeten, des
te groter.
Hoe dan ook, deze groep van vrijwilligsters onder de elite wilden wellicht
aan hun sociale keurslijf ontsnappen, en dit gaf zeker de nodige spanning
en sensatie. Dit kan de optredens in CIL 9, 2237, SC I en SC II, Cassius
Dio 61.17.3-4, Tacitus 15.32, en Statius Silvae 1.6.51-64 verklaren.
Ik denk dat door het hogere spektakelgehalte van de spelen in de keizertijd
vrouwen deze gelegenheid ten bate namen.
86) Ik heb dit in paragraaf 2.2 voor
hun mannelijke collega’s reeds beargumenteerd, en hetzelfde verhaal
valt af te steken voor vrouwen. Militaire roem lijkt als enige motief
iets minder voor de hand te liggen in het geval van vrouwen. Het grafreliëf
van Halicarnassus geeft echter een eerbewijs voor de twee gladiatrices
in zekere militaire context: dat van de Amazonen en Achilles. Ze worden
hier in ieder geval geroemd om hun kwaliteiten als vechters.
87) Omdat de elite deze ‘vrije’ vrouw dwong
op te treden sloeg de kritiek hierop over op de elite als geheel, die
blijkbaar ‘vrije’ vrouwen als tweevechters wilde laten optreden.
Het publiek moet wel gedacht hebben dat de elite zich hiermee te schande
maakte, want in hun gelederen was het niet (door iedereen) geaccepteerd
dat vrouwen als tweevechters optraden, zoals de satirici in hun kritiek
hierop laten zien (zie tabel 1).
88) Omdat deze bron evenwel over Nero handelt, die
ook een groot aantal senatoren en ridders de arena in stuurde (zie hoofdstuk
2), is het mogelijk dat we hier een geval van gedwongen deelname hebben.
Maar zelfs in dat geval is deze bron een grote uitzondering.
89) Vesley (1998) 89-90.
90) Ibidem 92. Zie ook Slater (1994) n. 15, 136-138.
91) Heel typerend is dat Juvenalis zich niet druk maakt
om het trainen, maar om de mogelijkheid dat de genoemde vrouw ook daadwerkelijk
de arena in zou gaan. Wanneer het hier een collegium betreft
dan is uit dit fragment in elk geval op te maken dat het trainen van vrouwen
voor vechtsporten in zo’n collegium als een ‘gewone’
gang van zaken gezien wordt door Juvenalis, wat overeenkomt met wat Vesley
daarover zegt (zie boven).
92) Zie bijvoorbeeld Edwards (1993), waarin de auteur
o.a. een aantal ideale eigenschappen voor mannen uit de elite noemt, die
dan vaak tegenovergesteld zijn aan die waarvoor vrouwen geprezen worden.
Maar anderzijds worden ook slechte eigenschappen voor mannen gelijkgesteld
aan typisch vrouwelijke eigenschappen. Het boek geeft in zijn geheel een
indruk over hoe mannen binnen de elite deze verschillen in opvatting gebruikten
als politiek wapen. Het geeft dus ook misschien wel een indruk over hoe
men binnen (de mannelijke bevolking van) de elite aan moet hebben gekeken
tegen vrouwelijke gladiatoren uit de eigen stand..
93) Briquel stelt dat in de eerste plaats afkomst en
niet de sekse bepalend was voor hoe men aankeek tegen vrouwelijke gladiatoren
(zie Briquel (1992) 50). Ik heb dit in het vorige hoofdstuk bij de bespreking
van Cassius Dio 61.17.3-4 ook aangegeven. Van Minnen stelt hiermee overeenkomend
dat de moralisten vooral bezwaar maakten tegen een keizer die vrouwen
uit de hogere standen aan gladiatorengevechten liet meedoen. Als geen
ze geen vrouwen van hoge stand waren en het om een in hun ogen goede keizer
ging (bijvoorbeeld Titus), waren ze veel minder kritisch (van Minnen (1998)
132). Keizers die in de literatuur in dit opzicht als ‘slecht’
werden bestempeld, zoals Nero (Cassius Dio 61.17.3-4, Tacitus 15.32) en
Domitianus (Statius Silvae 1.6.51-64), lieten ook vrouwen van
hoge geboorte tot de arena toe, misschien in eerste geval zelfs gedwongen,
maar een keizer als Titus ontving geen kritiek, wat te verklaren valt
uit het feit dat hij alleen vrouwen van lage geboorte liet optreden. Deze
laatste groep kon de spelen een hogere entertainmentwaarde geven. Het
valt in dit opzicht op dat vrouwelijke strijders uit de bronnen nog wel
eens naast of met het optreden van dwergen voorkomen (zie Petronius, Sat.
45.7, Cassius Dio 67.8.4, Statius Silvae 1.6.51-64), evenals
in bijzondere omstandigheden, zoals de vrouwelijke essedarius
in Petronius, Sat. 45.7., en de nachtelijke gevechten in Cassius Dio 67.8.4,
Suetonius, De Vita Caesarum, Domitianus 3-4. Hierdoor kan het
een dubbele entertainmentwaarde hebben gehad. De nachtelijke gevechten
en de gevechten tussen vrouwen en dwergen waarover Suetonius en respectievelijk
Dio spreken ziet Meijer dan ook eerder als een komische vermaak dan een
serieus programmaonderdeel (Meijer (2003) 83). Dit werd pas gestopt toen
er kritiek kwam van het grote publiek op ‘vrije’ vrouwelijke
tweevechters van lage komaf, die gedwongen werden te vechten (Cassius
Dio 76.16.1), wat negatieve gevolgen had voor de elite (zie hoofdstuk
3), maar helaas hebben we hiervan maar één fragment. Als
dit een bijzonder geval betreft, en de bronnen wijzen dit tot zoverre
uit, dan kan ook gesteld worden dat de vrouwen die Titus inzette gewoon
slaven etc. waren en geen gedwongen ‘vrije’ vrouwen, anders
zal ook hem hoon van het grote publiek ten deel gevallen zijn.
94) Gundersson (1996) 142.
95) Het ging de elite niet om humanitaire overwegingen
(alleen omdat zij vrouw waren) dat vrouwen de arena niet mochten betreden
(zie immers Cassius Dio 63.3.1.), maar om de totaal andere maatschappelijke
positie ten opzichte van mannen die men vrouwen van de elite binnen de
Romeinse maatschappij toedichtte. Zie o.a. Briquel (1992) 53, waarin zij
het verbod van Septimus Severus ziet als een gevolg van de negatieve publiciteit
voor de elite, en niet primair als gevolg van een opvatting dat men vrouwen
niet aan de arena wilde blootstellen uit humanitaire overwegingen.
96) Dit fragment is in feite erg bijzonder omdat het
ons een idee geeft van kritiek door de massa op een tweegevecht tussen
vrouwen, i.t.t. de moralisten met hun satiren die zelf uit de elite afkomstig
waren. Blijkbaar was het beeld dat tweegevechten een mannelijke aangelegenheid
waren toen ook buiten de elite gangbaar, maar dat is op grond van deze
ene bron niet aan te tonen.
97) Maar ook bij deze gevechten werd blijkbaar vaak
aangesloten bij het maatschappelijk oordeel van de elite. Gundersson geeft
aan dat de gevechten tussen dwergen en vrouwen in Cassius Dio 67.8.4 typerend
zijn voor deze opvatting: vrouwen krijgen geen gelijkwaardige tegenstanders,
zie Gundersson (1996) 143. Dit is volgens hem reden dat vrouwelijke tweevechters
niet vaak voorkomen, maar wel vaak als bestiarius of venator
optreden (zie tabel 1).
98) Van vrouwen is ook niet bekend dat zij net als
mannen de mogelijkheid hadden alleen voor de eer te strijden in plaats
van zich bij een ludus aan te sluiten, en dit is gezien bovenstaande
ook te begrijpen.
In deze scriptie heb ik getracht de afkomst en motieven van vrouwelijke
gladiatoren in kaart te brengen. Gezien het schaarse bronnenmateriaal
heb ik deze bronnen geïnterpreteerd aan de hand van wat ons van mannelijke
gladiatoren bekend is. Het geheel aan bronnen valt goed in te passen in
deze context, maar er is wat het motief van vrouwen uit de elite betreft
een verschil op te merken.
Uit de bronnen blijkt (voor zover te achterhalen) dat de gladiatrix pas
omstreeks de keizertijd veelvuldig ten tonele kwam, toen de spelen het
karakter kregen van ware spektakels. Onder hen bevonden zich zowel vrouwen
van lage komaf als van de elite. De eerste groep bestond voornamelijk
uit slaven en veroordeelden. Zij stonden net als hun mannelijke tegenhangers
buiten de samenleving, hadden geen keus en hun optreden als vrouw gaf
de spelen een hogere entertainmentwaarde. Het is evenwel niet uit te sluiten
dat ook bij uitzondering vrouwen uit eigen beweging de arena betraden,
hoewel bewijs hiervoor ontbreekt. Deze groep zal hierbij dezelfde motieven
gehad hebben als hun mannelijke tegenhangers: geld (zeker bestaan), roem
(popsterrenstatus) of de spanning en sensatie die hiermee gepaard ging.
Vrouwen uit de elite waren in principe altijd vrijwilligsters, misschien
een enkeling die daartoe door de keizer werd gedwongen uitgezonderd. Deze
vrijwilligsters ontvingen hiervoor de hoon van hun eigen standsgenoten.
Dit kwamen we ook al tegen in geval van mannelijke ‘contractgladiatoren’.
Maar omdat vrouwen binnen de elite een totaal andere status genoten dan
mannen is er verschil te constateren in de (mogelijke) motieven die deze
vrouwen hadden. Zowel de financiële voordelen als het verkrijgen
van (militaire) eer is bij deze groep vrouwen vrijwel uit te sluiten.
Ik denk dat deze vrouwen dit deden om te kunnen ontsnappen uit het maatschappelijk
isolement, waarin zij in het door mannen bepaalde maatschappelijk leven
verkeerden. Dit zal de nodige spanning en sensatie met zich mee gebracht
hebben. De vrouwen zullen zodoende gehoopt hebben de lof van het publiek
te ontvangen, en zich op die manier de popsterren status te verwerven,
ten einde zich (tijdelijk) uit de sociale ketenen te kunnen verlossen.
Auguet, R., Cruelty and Civilization, The Roman Games (London,
1972).
Barton, C.A., The Sorrows of the Ancient Romans, The Gladiator and
the Monster (New Jersey 1993).
Briquel, G., ‘Les femmes gladiateurs’, in: Ktèma
17 (1992) 47-53.
Clavel-Lévêque, M., L’Empire en jeux (Parijs
1984).
Edwards, C., The Politics of Immorality in ancient Rome (Cambridge
1993).
Ewigleben, C., Gladiators and Caesars, the power of spectacle in ancient
Rome (Hamburg en Londen 2000)
Gardner, J. F., Women in Roman Law and Society (Londen 1990).
Gunderson, E., ‘The Ideology of the Arena’, in: Cl.Ant.
15 (1996) 113-151.
Hopkins, K., Death and Renewal (Cambridge 1983).
Kyle, D.G., Spectacles of Death in Ancient Rome (London &
New York 1998).
Levick, B., ‘The Senatus Consultum from Larinum’, in: JRS
73 (1983) 97-115.
Meijer, F., Gladiatoren (Amsterdam 2003).
Minnen, P. van, ‘Themanummer: Gladiatoren’, Kleio 27.3
(1998).
Moormann, E.M., Uitterhoeve, W., van Achilleus tot Zeus (Nijmegen
1999).
Oakley, S.P., ‘Single combat in the Roman Republic’, in: CQ
35 (1985) 392-410.
Pfeijffer, I. L., De Antieken. Een korte literatuur geschiedenis,
(Amsterdam 2000).
Potter, D.S., Mattingly, D.J., Life, death and entertainment in the
Roman Empire (Michigan 1999).
Pringle, H., ‘Gladiatrix’, in: Discover Vol. 22 No.
12 (2001) 49-55.
Robert, L. ‘Une vision de Perpétue martyre à Carthage
en 203’, in: CRAI (1982) 228-286.
Slater, W.J., ‘Pantomime riots’, in: ClAnt 13 (1994)
129-143.
Slater, W.J., Roman Theater and Society (1996).
Vesley, M., ‘Gladiatorial training for girls in the "collegia
iuvenum" of the Roman Empire’, in: EMC XLII (1998)
17: 85-93.
Ville, G., La Gladiature en occident des origines à la mort
de Domitien (Rome 1981).
Wiedemann, T., Emperors and Gladiators (London en New York 1992).