|
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
Dossiers over vrouwengeschiedenisGender en staatsvoming: een relatie van geven en nemenMartijn Icks De negentiende eeuw wordt in historische kringen vaak gezien als de eeuw van het natio-nalisme. Dat is niet voor niets: moderne staten, zoals wij ze vandaag de dag nog kennen, zijn voor een belangrijk deel gevormd in de periode vanaf de Franse Revolutie. Deze ontwikkeling behelst niet alleen de samenstelling van de overheid en de uitbouw van haar taken, maar ook de vorming van een nationale identiteit. Toch wordt staatsvorming meestal vanuit een politiek perspectief bestudeerd. Culturele factoren blijven hierbij onderbelicht. Historici als Righart pleiten dan ook voor meer aandacht voor het begrip 'politieke cultuur'. Zaken als mythen, vooroordelen en symbolen vormen volgens hem de sleutel om meer inzicht te krijgen in de samenhang tussen politieke en sociaal-culturele processen. [1] Ook bij staatsvorming hebben mentale structuren - uiteraard - een grote rol gespeeld. Een belangrijke culturele factor is gender, een begrip dat kijkt naar heersende denkbeelden die in een samenleving bestaan met betrekking tot 'mannelijkheid' en 'vrouwelijkheid'. Het is opmerkelijk dat belangrijke genderverschillen juist zijn ontstaan in dezelfde periode als de moderne staten vorm kregen. Terwijl enerzijds burgers de macht overnamen en centrale overeden gestalte begonnen aan te nemen, was anderzijds de sociaal-culturele constellatie in opmars die we nog altijd kennen als 'het rollenpatroon'. Interessant is daarbij natuurlijk de vraag in hoeverre de politiek in deze periode van staatsvorming nu product dan wel producent is geweest van de opkomende genderverschillen. Deze tekst zal proberen op die vraag een ant-woord te formuleren, waarbij in belangrijke mate zal worden gesteund op het artikel 'Identity, gender, and the history of European nations and nationalisms' van Glenda Sluga. [2] Ook van Oostendorps artikel 'Een openbare parade van veile vrouwen' zal gebruik worden gemaakt. [3] Enerzijds is de politiek natuurlijk het product geweest van al bestaande genderideeën. Het was niet voor niets dat tijdens de Franse revolutie werd gesproken over 'vrijheid, gelijkheid en broederschap', een strijdkreet die expliciet gendergeladen is. Olympe de Gouges, een vrouw die zich inzette om voor haar eigen sekse dezelfde (politieke) rechten te verwerven als de mannen, moest haar inspanningen voor het zusterschap dan ook met de dood bekopen. De nieuwe staat die in Frankrijk in 1789 was ontstaan was er een van mannen, niet van vrouwen. Maar waarom was het exlusief broederschap dat naast nota bene vrijheid en gelijkheid zo hoog in het vaandel stond? Het antwoord op die vraag heeft veel te maken met veranderingen in de openbare sfeer, waartoe ook de politiek behoorde. Bij de Engelse burgerij was in de achttiende eeuw het idee ontstaan dat alleen mannen, niet vrouwen, zich met openbare zaken moesten bemoeien. Dit idee hing op zijn beurt weer samen met een opkomende gezinsideologie bij de burgers, die vanwege de veranderende economische omstandigheden tot de voornaamste groep in de samenleving werden en op deze manier uitdrukking wilden geven aan hun identiteit. Volgens de burgerlijke ideologie was het de taak van de man om de kost voor zijn vrouw en kinderen te verdienen, terwijl zijn gade - of althans haar bedienden - zorg droeg voor kroost en huishouden. Het domein van de vrouw was dus het privé-domein. [4] Het burgerlijke ideaal, dat door andere landen werd overgenomen, had grote consequenties voor de positie van de vrouw binnen de staat. Omdat ze voor een groot deel van het openbare leven werd afgesneden, kon ze immers ook geen rol spelen in de politiek. De nieuwe Franse republiek - maar het gold ook voor andere landen - stelde onomwonden de man centraal. De Verlichtingsfilosoof Rousseau had beweerd dat alleen het (patriarchale) gezin kon dienen als fundament voor de staat, en dat principe werd overal in Europa nageleefd: 'The state became the fatherland and the family the microcosm of society,' aldus Sluga. [5] Hoewel de revolutionaire claims van vrijheid en gelijkheid in principe universeel waren, werd de vrouw ervan uitgesloten met het argument dat zij nu eenmaal wezenlijk verschilde van de man. Dit argument was afkomstig uit het zogenaamde two bodies system, dat rond 1800 het tot dan toe prevalerende one body system verving. De vrouw werd hierin niet langer gezien als een inferieure versie van de man, zoals voorheen het geval was geweest, maar als een geheel ander, op zichzelf staand wezen. Genderverschillen (mentaal van aard) waren de gevolgtrekking die uit deze biologische verschillen werden gemaakt; het bekende rollenpatroon was er het resultaat van. [6] Maar welke rol werd nu door de politiek, door de moderne, opkomende staat gespeeld bij de totstandkoming van dit patroon? Zoals de politiek enerzijds het product was van genderverschillen, zoals hierboven is beschreven, werd ze daar onvermijdelijk ook de producent van. Dit gebeurde niet alleen op een institutioneel, maar ook op een symbolisch niveau. Voorbeelden van het eerste worden gegeven door Mirjam Oostendorp in haar artikel 'Een openbare parade van veile vrouwen'. Ze beschrijft daarin de politieke debatten over zedelijkheid en arbeid die in de jaren tachtig van de negentiende eeuw werden gevoerd. Hieruit blijkt telkens weer dat de (liberale) overheid er moeite mee had de grenzen van haar gezag te bepalen: waar eindigde de macht van de staat en begon de macht van de vader? Diens soevereiniteit over het privé-domein - het gezin, en dus in belangrijke mate de vrouw en kinderen - was een erkend feit waar men liever niet wilde tornen, te meer daar op die manier het basisprincipe van de staat werd aangetast. [7] Natuurlijk was deze patriarchale houding van negentiende-eeuwse politici in eerste in-stantie afkomstig van heersende ideeën over mannelijkheid en vrouwelijkheid. In die zin was de politiek dus (wederom) het product van genderverschillen. Ze was er echter ook de (re)producent van, zoals blijkt uit de legitimatie van prostitutie als een 'noodzakelijk kwaad' om de driften te beteugelen die mannen nu eenmaal hadden. De bestaande dubbele seksuele moraal werd hierdoor alleen maar versterkt. Een soortgelijk voorbeeld is de maatregel om vrouwenarbeid te beperken tot maximaal elf uur per dag. Voor mannen bestond een dergelijke beperking niet, wat de rolverdeling tussen de seksen in de hand werkte. Voor zover de overheid zich met gezinskwesties bemoeide, was het dus vooral om genderverschillen te stimuleren. [8] Op symbolisch niveau werd de 'mannelijkheid' van de staat nog eens extra benadrukt, zoals Sluga laat zien. Er ontwikkelde zich een nieuwe, gendergeladen ideologie waarin het mannelijk lichaam de broederschap representeerde die na de Franse revolutie was ontstaan. Nu klasseverschillen van minder belang werden, kwam de klemtoon steeds meer op sekse-verschillen te liggen. De man werd daarbij, met zijn fysieke kracht als argument, voorgesteld als vader van de staat: hij had gestreden om zijn vaderland tot stand te brengen, hij was ook degene die het tegen vijanden moest verdedigen en zo het voortbestaan ervan moest verzekeren. Vaders moesten hun zonen trots voor de natie bijbrengen, zodat die bereid waren zich ervoor op te offeren. Het opkomende nationalisme had dus een duidelijk militair aspect; 'een goede man is een soldaat', was het ongeschreven motto. [9] De vrouw daarentegen speelde op symbolisch niveau slechts een ondergeschikte rol. Hoogstens werd zij voorgesteld als verzorgende 'engel' die de vrede en harmonie in het gezin bewaarde. Veel stelde dit echter niet voor; de man was de grote held, degene waar het allemaal om draaide. In de praktijk kon een vrouw wel een patriot zijn, maar alleen binnen de grenzen van het haar toegewezen privé-domein, namelijk via het voortbrengen en verzorgen van kinderen. Op het politieke toneel van de moderne staat, of het nu in vredes- of oorlogstijd was, was voor haar geen plaats. [10] Concluderend kunnen we zeggen dat de politiek in eerste instantie het product van gender-verschillen is geweest, met name van de denkbeelden over mannelijkheid en vrouwelijkheid die bij de achttiende-eeuwse Engelse burgerij waren ontstaan. De vrouw werd in die denkbeelden 'verbannen' naar de privé-sfeer, wat tot gevolg had dat ze niet of nauwelijks mee-telde in de nieuwe staat die zich vanaf de Franse revolutie ontwikkelde. Van deze staat werd het patriarchale gezin het fundament; de microcosmos waar de man de scepter zwaaide en zelfs de overheid zijn gezag aanvankelijk niet betwistte. De nieuwe staat was echter niet alleen gefundeerd op bepaalde ideeën met betrekking tot mannen en vrouwen; ze (re)produceerde deze ook. Op een institutioneel niveau gebeurde dat door vrouwen bijvoorbeeld niet als burgers te erkennen, later ook via maatregelen die onder andere vrouwenarbeid beperkten en prostitutie legitimeerden. Op een symbolisch niveau werd heel nadrukkelijk de centrale rol van de man als vader en verdediger van de staat gecultiveerd, terwijl de vrouw een ondergeschikte positie als verzorgende engel kreeg toegeschoven. Overheidsbeleid en nationalisme, twee typische kenmerken van de moderne staat, kunnen dus zowel product als producent van genderverschillen worden genoemd. [1] Men leze hiervoor Hans Righart, Politieke
cultuur: een omgevingsverkenning (Meppel 1989); idem (ed.), De
zachte kant van de politiek. Opstellen over politieke cultuur (Den
Haag 1990). | |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| Terug naar boven | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||